Tweezaadlobbigen

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Tweezaadlobbige kiemplanten van Bladmoes

Tweezaadlobbigen of dicotylen zijn planten die samen met de eenzaadlobbigen of monocotylen de bloemplanten of bedektzadigen vormen. Veel van de tweezaadlobbigen hebben per zaad twee zaadlobben of cotylen, waarin het reservevoedsel, nodig voor de kieming en eerste groei van de jonge plant, zit opgeslagen. Bij meer dan de helft van de monocotylen is er één zaadlob per zaad.

De wetenschappelijke naam voor deze groep is Dicotyledones (soms ook Dicotyledoneae). Bij Cronquist heette deze groep Magnoliopsida (in de vertaling van de 22e druk van de Heukels: Magnoliidae).

In het APG-systeem (en opvolgers) worden de tweezaadlobbigen niet meer erkend; ze worden beschouwd als een parafyletische groep. Het overgrote deel van de oude tweezaadlobbigen vormt daar wél een monofyletische (goede) groep, die door de APG de eudicots wordt genoemd (eu- = echt). Merk op dat de 23e druk van de Heukels (2005) deze groep van de eudicots aanduidt met "tweezaadlobbigen". De naam wordt dan gebruikt voor een meer beperkte groep, dus in afwijking van de traditionele opvatting die ruimer was. De 24e druk handhaaft dit.

Verschillen tussen monocotylen en dicotylen[bewerken | brontekst bewerken]

Dit zijn geen harde verschillen: er zijn tal van uitzonderingen.

Eenzaadlobbigen, monocotylen Tweezaadlobbigen, dicotylen
één zaadlob twee zaadlobben
stuifmeelkorrels met één kiemopening stuifmeelkorrels met drie kiemopeningen
parallelle nerven in bladeren vertakte nerven in bladeren
bloemdelen in meervoud van drie bloemdelen met een ander grondgetal
alleen bijwortels na kiemplantstadium vertakte hoofdwortel
vaatbundels verspreid vaatbundels in een ring
geen secundaire diktegroei secundaire diktegroei mogelijk

Zie ook[bewerken | brontekst bewerken]