Uitlevering

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Uitlevering is een juridisch begrip dat wordt gebruikt bij het fysiek overdragen van een persoon door het land waarin deze zich bevindt (de aangezochte staat) aan het land waar deze persoon gezocht wordt voor berechting of het uitzitten van een straf. Tussen arrestatie en uitlevering kan uitleveringsdetentie plaatsvinden.

De overgang tot uitlevering is een politieke beslissing, die genomen wordt door de regering of de daartoe bevoegde minister.

Uitleveringsverdrag[bewerken]

Uitlevering kan geschieden op basis van een uitleveringsverdrag. Een uitleveringsverdrag is een verdrag tussen twee of meer staten, waarin zij overeenkomen wanneer en onder welke voorwaarden de aangezochte staat een persoon aan de verzoekende staat moet uitleveren. In een uitleveringsverdrag staan doorgaans ook verschillende weigeringsgronden waaronder een aangezochte staat kan weigeren een persoon uit te leveren.

Een voorwaarde voor uitlevering is doorgaans dat het misdrijf dat de persoon gepleegd zou hebben in beide landen een strafbaar feit is: de eis van dubbele strafbaarheid. Andere weigeringsgronden kunnen zijn dat de aangezochte staat niet uitlevert indien er sprake is van een politiek misdrijf, verzocht wordt eigen staatsburgers uit te leveren of indien op het misdrijf de doodstraf staat. In zulke gevallen kunnen echter garanties gegeven worden door de verzoekende staat dat, bijvoorbeeld, de doodstraf niet opgelegd zal worden.

Wanneer er geen uitleveringsverdrag is bestaat er ook geen verplichting om een persoon aan een andere staat uit te leveren. Wel kan uitlevering op vrijwillige basis geschieden, mits de wetten van de aangezochte en verzoekende staat dit toestaan.

België[bewerken]

De Wet van 15 maart 1874 stelt de volgende principes vast inzake uitlevering:

  1. reciprociteit: de Belgische regering kan als aangezochte staat personen enkel uitleveren voor zover zij van de verzoekende staat een uitlevering zou kunnen bekomen.[1]
  2. dubbele incriminatie: de feiten waarvoor men de uitlevering vraagt, moeten strafbaar zijn in beide landen.[2]
  3. voor sommige misdrijven is uitlevering niet mogelijk, waaronder politieke, militaire en fiscale misdrijven.
  4. de Belgische regering kan enkel vreemdelingen uitleveren en geen Belgen.

Van het derde en vierde principe wordt afgeweken in het Verdrag van 27 september 1996 betreffende uitlevering tussen de lidstaten van de EU gesloten te Dublin. België heeft zich hierbij echter het recht voorbehouden om de uitlevering van eigen onderdanen te onderwerpen aan het principe van wederkerigheid.

Voorts wordt een onderscheid gemaakt tussen de passieve, waarbij aan België de uitlevering wordt verzocht, en de actieve uitlevering, waarbij België zelf de uitlevering verzoekt.

Passieve uitlevering[bewerken]

De procureur des Konings van de plaats waar de opgeëiste persoon verblijft of kan worden aangetroffen, kan van de onderzoeksrechter een aanhoudingsbevel vorderen. Dit aanhoudingsbevel valt niet onder de toepassing van de Wet op de voorlopige hechtenis, maar de opgeëiste persoon heeft wel het recht om de voorlopige invrijheidstelling te vragen zoals Belgen dat kunnen.[3]

Indien het uitleveringsverzoek gestaafd is op een buitenlands aanhoudingsbevel, dan moet een exequatur worden bekomen van de raadkamer.[4] Hoger beroep kan worden aangetekend bij de kamer van inbeschuldigingstelling binnen de 24 uren na de betekening van de beschikking.[5]

Aan de vreemdeling die zich in voorlopige hechtenis bevindt met het oog op uitlevering, moet binnen 40 dagen mededeling worden gedaan van de stukken van de bevoegde buitenlandse overheid.[6] Na de betekening van de stavingsstukken van de uitlevering is de persoon definitief van zijn vrijheid beroofd en zijn de gerechtelijke overheden onbevoegd om zijn invrijheidstelling te gelasten. Vanaf dit moment is de betrokkene ter beschikking van de uitvoerende macht.

De beslissing tot uitlevering is een regeringsbeslissing. De kamer van inbeschuldigingstelling brengt slechts een advies uit.[7] Dit advies wordt binnen de 15 dagen gestuurd naar de minister van Justitie.[8]

Actieve uitlevering[bewerken]

Meestal voorzien verdragen in de mededeling van stukken langs de diplomatieke weg.Het Benelux-verdrag van 27 juni 1962 en het Verdrag van 10 maart 1995 maken mogelijk dat de stukken rechtstreeks worden toegestuurd naar de bevoegde gerechtelijke autoriteiten.

Voor de uitlevering van de opgeëiste persoon wordt de procedure beheerst door het recht van de aangezochte staat. De Belgische strafrechter is wat dit betreft onbevoegd om te oordelen over eventuele onregelmatigheden die eventueel zouden zijn begaan door de buitenlandse overheid (male captus, bene detentus).

De actieve uitleveringsprocedure start meestal met een internationaal aanhoudingsbevel bij verstek, afgeleverd door een Belgische onderzoeksrechter. Dit moet binnen 48 uren worden betekend aan de betrokkene na diens aankomst op Belgisch grondgebied.[9]

Indien het gerechtelijk onderzoek dan nog afgesloten is, ondervraagt de onderzoeksrechter de betrokkene. Oordeelt hij dat de vrijheidsberoving moet worden gehandhaafd, dan kan hij een tweede aanhoudingsbevel uitvaardigen dat binnen 48 uren moet worden betekend na de betekening van het eerste aanhoudingsbevel bij verstek. Na dit tweede aanhoudingsbevel verloopt de procedure zoals bepaald in de Wet op de voorlopige hechtenis.

Indien het gerechtelijk onderzoek daarentegen wel is afgesloten op het ogenblik van de uitlevering, dan kan de betrokkene, na te zijn aangehouden op basis van het aanhoudingsbevel bij verstek, zijn invrijheidstelling enkel verzoeken overeenkomstig artikel 27 Wet op de voorlopige hechtenis.

Na de uitlevering volgen de vervolgingen in België de normale gang van zaken of wordt de straf uitgevoerd naar Belgisch recht. Hierbij mag de opgeëiste persoon niet worden vervolgd noch een straf ondergaan voor feiten die gepleegd werden voor de uitlevering en niet werden geformuleerd in het uitleveringsverzoek. Dit heet het principe van de specialiteit van de uitlevering. Dit specialiteitsbeginsel verhindert echter niet dat de kwalificatie van de feiten kunnen worden vervolledigd in de loop van de procedure.

De uitgeleverde persoon kan afstand doen van het specialiteitsbeginsel en kan de regering het uitleveringsverzoek uitbreiden.

Binnen de Europese Unie[bewerken]

Binnen de Europese Unie (EU) geldt het kaderbesluit Europees aanhoudingsbevel. Hierin is geregeld dat personen via een eenvoudiger procedure kunnen worden overgedragen tussen lidstaten onderling, waardoor er geen sprake meer is van uitlevering, maar van overlevering. De overlevering is een beslissing van de rechterlijke macht en dus geen politieke aangelegenheid.

Zie ook[bewerken]