Vredesverdrag van 1760

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Het Vredesverdrag van 1760 is een verdrag dat vrijgevochten tot slaaf gemaakten in Suriname op 10 oktober 1760 sloten met de Sociëteit van Suriname. Het verdrag hield in dat de Ndyuka, ook wel Aucaners genoemd, een in het oerwoud gevormde stam van Surinaamse Marrons, vrijheid en territoriale autonomie verwierven. Hierdoor werd het mogelijk om vaste nederzettingen te stichten. In de vredesverdragen werden gebieden aangewezen waar de Aucaners zich mochten ophouden. Dit was steeds op grote afstand van de plantages.

Dankzij dit verdrag werden de Aucaners als vrije mensen erkend. In ruil daarvoor verplichtten zij zich onder andere, om nieuwe weggelopen tot slaaf gemaakten aan te brengen bij de Hollanders. Het was aan de Aucaners niet toegestaan om ontsnapte tot slaaf gemaakten op te nemen in hun gelederen. De Kwinti's waren uitgesloten van deze vrede omdat gedacht werd dat deze kleine groep overmeesterd zou kunnen worden.[1]

Het conceptverdrag werd opgesteld door de gouverneur-generaal Wigbold Crommelin na een opstand aan de Tempatiekreek, begin 1757. Op zes verschillende plantages braken daar opstanden uit, die grote verliezen kostten aan Hollandse zijde. Het vredesakkoord werd onderhandeld met Adyáko Benti Basiton, een Marron die eerder van Jamaica naar Suriname was gedeporteerd en lezen en schrijven kon, en een variant van het enige eerder tussen Marrons en kolonisten gesloten akkoord (op Jamaica, 1738) middels achtergelaten briefjes aan de Hollandse militairen overbracht. Hij plaatste kanttekeningen bij zes van de artikelen van het conceptverdrag van 1760 en bracht het verdrag terug van zeven naar negen artikelen.

Verschillende stammen volgden het voorbeeld van de Ndyuka, zodat er zich eind 18de eeuw een specifieke Marron-beschaving kon ontwikkelen in het Surinaamse binnenland die zich had vrijgemaakt van de kolonisten en uniek is voor het hele Caraïbische gebied. In Jamaica was er bijvoorbeeld (mede door het beperkte grondgebied) een veel grotere vermenging. In 1762 volgde een vergelijkbaar verdrag met de Saramaccaners, en in 1767 met de Matawai.

Het verdrag werd in 1837 herzien.[2]

Het document heeft 250 jaar na dato internationale historische en juridische waarde.[bron?] Ook is het verdrag van juridisch belang, omdat de Marrons territoriale autonomie werd toegestaan; heden ten dage zijn in dat gebied aanzienlijke goudvondsten gedaan en is de vraag opgelaaid hoe het verdrag thans moet worden geïnterpreteerd.[bron?]

Dag van de Marrons[bewerken | brontekst bewerken]

De datum 10 oktober 1760 is tegenwoordig een belangrijke vieringsdatum voor de Marrons, anno 2015 viert men de dag van de Marrons als een nationale vrije dag in Suriname en is het nu 252 jaar geleden dat men dit gebeuren zal gedenken. Er is inmiddels ook een Stg. 10 October 1760 onder Voorzitterschap van de heer Leo Atomang, in het dagelijksleven medewerker Journalistiek bij radio Boskopu Paramaribo.

Zie ook[bewerken | brontekst bewerken]