Willemsfonds

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken
Rechts op de achtergrond het Lakenmetershuis op de Vrijdagmarkt in Gent, waar het hoofdkwartier van het Willemsfonds sinds 1868 gevestigd is

Het Willemsfonds is een Vlaamse, vrijzinnige culturele organisatie die op 23 februari 1851 in is Gent opgericht ter verdediging van de Nederlandse taal. Het fonds is genoemd naar de toen pas overleden Vlaamse schrijver én prominent lid van de Vlaamse Beweging Jan Frans Willems (1793 - 1846). De stichting van het Willemsfonds wordt in Vlaanderen doorgaans gezien als het startpunt van de geschiedenis van het sociaal cultureel werk. [1]

Vroeger en nu[bewerken]

Het fonds verdedigde de taal door het Vlaamse volkslied aan te moedigen en taalwedstrijden te organiseren, betaalbare Nederlandstalige boeken uit te geven en algemene bibliotheken op te richten. In de begindagen zijn zowel katholieken als liberalen lid. Ze ondersteunen én het Vlaams - zowel taal als cultuur - én pleitten voor een sterk, nationaal België. Tegenwoordig is het Willemsfonds van liberaal-vrijzinnige signatuur en onderscheidt zich zo van het socialistische Vermeylenfonds, het katholieke Davidsfonds, het in oorsprong communistische Masereelfonds en het Rodenbachfonds. Het fonds is een culturele ontmoetingsplaats waar vrijwilligers en medewerkers van gedachten kunnen wisselen, een eigen mening vormen en activiteiten organiseren.

Jan Frans Willems (Boechout, 11 maart 1793 - Gent, 24 juni 1846) was een Vlaams schrijver en prominent lid van de Vlaamse Beweging die zijn naam leende voor het Willemsfonds.

Gentse wortels[bewerken]

In de vroege negentiende eeuw is Gent de enige industriestad in Vlaanderen. Zeven Brusselaars en 31 Gentenaars - vooral behorend de nieuwe, (industrialiserende) middenklasse - stichtten in 1851 de vereniging. De eerste voorzitter was Baron Jules de Saint-Genois tot 1855. Daarna volgden de Gentenaren Ferdinand Augustijn Snellaert, Prudens Van Duyse en Julius Vuylsteke. Vuylsteke stelde dat de clerus de arbeiders onmondig en onwetend hield en vanaf 1862 volgde hij een antiklerikale koers. Gematigde leden zoals kanunnik Jan Baptist David (1801 - 1866) verlieten het Willemsfonds. Het leidde in 1875 tot de oprichting van het Davidsfonds en de verzuiling van het sociaal cultureel werk. Tot 1976 waren alle voorzitters Gentenaren. Sinds 1868 is het hoofdkwartier gevestigd in het Lakenmetershuis op de Vrijdagmarkt.

Kanunnik David ofte Jan Baptist David werd door Jan Frans Willems de liefde voor zijn moedertaal ingelepeld. Net zoals het Willems en het Willemsfonds verging, zou men na de dood de naam van de kanunnik gebruiken voor het Davidsfonds.

Trivia[bewerken]

  • In 1974 telde de vereniging 6000 leden, verspreid over ongeveer 70 afdelingen.
  • Het Willemsfonds was medestichter van het Overlegcentrum van Vlaamse Verenigingen. Het verliet het OVV in de jaren 1990 omdat het meende dat de federalisering 'verworven' was. In 2011 werd het terug lid omwille van de overtuiging dat er nog noodzakelijke stappen te zetten zijn naar meer Vlaamse autonomie.

Bronnen[bewerken]

Literatuur

  • LUC DE DROOGH. Sporen naar het verleden, wissel voor de toekomst? In: Wissels. Handboek sociaal-cultureel werken met volwassenen, Socius, Brussel, 2011.
  • MARCEL BOTS, HARRY VAN VELTHOVEN (Ea.). Het Willemsfonds van 1851 tot 1914. Gent, Provinciebestuur Oost-Vlaanderen & Liberaal Archief, 1993.
  • PETER LAROY. Aan de wieg van de Vlaamsche Beweging... De geschiedenis van het Willemsfonds in Eeklo en het Meetjesland, Gent, Liberaal Archief, 1993.
  • HARRY VAN VELTHOVEN en JEFFRY TYSSENS. Vlaamsch van taal, van kunst en zin. 150 jaar Willemsfonds, Gent, Willemsfonds & Liberaal Archief, 2001.
  • HARRY VAN VELTHOVEN. Tussen opportunisme en radicalisme. Het Willemsfonds en de Vlaamse kwestie in 171 petities (1860-1913), Gent, Academia Press & Liberaal Archief, 2008.

Externe links

Zie ook

Voetnoten

  1. LUC DE DROOGH. Sporen naar het verleden, wissel voor de toekomst? In: Wissels. Handboek sociaal-cultureel werken met volwassenen, Socius, Brussel, 2011, p. 99.