Atonaliteit

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
(Doorverwezen vanaf Atonaal (muziek))
Ga naar: navigatie, zoeken
Klassieke muziek uit de 20e eeuw
Impressionisme (tot 1900)
Bruïtisme (Futurisme) (vanaf 1913)
Neoromantiek (vanaf 1915)
Groupe des Six (vanaf 1920)
Dodecafonie (vanaf 1923)
Musique Concrète (vanaf 1949)
Serialisme (vanaf 1950)
Microtonale muziek (vanaf 1950)
Aleatorische muziek (vanaf 1963)
Minimalistische muziek (vanaf 1970)
Eigentijdse klassieke muziek (1975 - nu)
Arnold Schönberg (rond 1948)

Atonale muziek is muziek zonder een vast tooncentrum, muziek die geen vaste toonsoort meer heeft. Bij dit soort muziek spreekt men wel van atonaliteit. Atonaliteit komt voort uit de historische emancipatie van de dissonantie. In atonale muziek verdwijnen de begrippen consonant en dissonant. De radicaalste vertegenwoordigers van de atonale muziek produceren het liefst geluidscollages.

Atonale muziek is vaak abstracte muziek: een vorm van muziek, waarin buitenmuzikale voorstellingen vanuit bijvoorbeeld het pure materiaal zelf gelden en waarin tonaal-muzikale elementen (meestal) niet meer voorkomen. De opvoeringsproblemen van de atonale muziek ontstaan precies omdat de uitvoerende muzikanten zich niet de tonale muzikaliteit ten nutte maken kunnen, omdat zij geen referentie aan tonaliteit ervaren, en de tonen onderling geen relaties met elkaar aangaan vanuit de meer traditionele klassieke harmonische en melodische tradities.

Historie[bewerken]

Franz Liszt met zijn late pianostukken, bijvoorbeeld Bagatelle sans tonalité uit 1885, en Alexander Skrjabin raakten al aan de atonaliteit. Het overwoekerend gebruik van chromatiek gedurende de laatromantiek of als bij componisten als Max Reger had atonale tendenties. Ook het gebruik van bitonaliteit en polytonaliteit, het gebruik van twee of meerdere toonsoorten tegelijkertijd, leidde naar het grensbereik van de atonaliteit. De eerste fase, die in de taak van de traditionele harmoniek bestaat, werd ook vrije atonaliteit genoemd. Arnold Schönberg trachtte een ordeningsprincipe binnen de atonale muziek op te bouwen en ontwikkelde de methode van de compositie met twaalf uitsluitend opeen betrokken tonen (later als twaalftoonstechniek of beter dodekafonie bekend), die hij vanaf 1909 (in de Drei Klavierstücke, op. 15, en vanaf 1923 in enkele van de Fünf Klavierstücke, op. 23 en in de meeste delen van de Suite für Klavier, op. 25 gebruikte. Hij en zijn leerlingen Anton Webern en Alban Berg - in diens opera's Wozzeck, Lulu en in de Lyrische Suite - vonden dat het eeuwenoude toonsysteem, waarin sommige tonen altijd belangrijker zijn dan anderen, zijn tijd had gehad en dat er een nieuw systeem moest komen waarin alle tonen even belangrijk zijn.

Op zich garandeerde het twaalftoonsprincipe in de eerste plaats nog niet dwingend de atonaliteit, maar slechts een verregaand gelijke verdeling van de twaalf getempereerde halftonen binnen de compositorische setting. Afhankelijk van de structuur van de reeks en de verticale organisatie van de tonen is het mogelijk, stukken in de reekstechniek te componeren, die als tonaal gevoeld worden. De twaalftoonstechniek werd na de Tweede Wereldoorlog in verbinding met (Olivier Messiaen (parameterisatie) tot het Serialisme verder ontwikkeld Pierre Boulez, Karlheinz Stockhausen, Luciano Berio, Krzysztof Penderecki, Milton Babbitt en domineerde de avant-garde van de symfonische muziek gedurende de vijftiger jaren in Europa. Naast Schönberg, Berg, en Webern waren er meer componisten, die atonale muziek schreven, zoals Ernst Křenek, Paul Hindemith, Igor Stravinsky, Béla Bartók, Josef Matthias Hauer (1883-1959), Aaron Copland, George Antheil, Elliott Carter, Witold Lutosławski en vele andere.

Controverse over het begrip zelf[bewerken]

Atonale muziek was en is een omstreden begrip, die in de tijd van de oplossing van toonaarden in de 20e eeuw gecreëerd werd, maar door de als Atonalisten bekende componisten nooit gewaardeerd werd. Het begrip werd aanvankelijk als polemische term toegepast door de conservatieve muziekkritiek op werken van Arnold Schönberg, in het bijzonder op zijn Drei Klavierstücke (Drie pianostukken), op. 11 (1909). Zowel Schönberg als ook Alban Berg (in zijn radio-uitzending Was ist Atonal? van 1930) hebben zich tegen dit begrip uitgesproken.

Zie in dit verband ook de externe links:

Esthetisch debat[bewerken]

In zijn 1949 gepubliceerde Philosophie der neuen Musik presenteert Theodor Adorno een pleidooi voor Schönbergs atonale manier van componeren en vergelijkt die met de door hem als instorting in de al verouderde compositietechniek beschouwde neoclassicistische stijl van Stravinsky. De atonale revolutie rond 1910 door Schönberg betekent voor Adorno de bevrijding van de muziek van de dwang van de tonaliteit, en daarmee de ongehinderde ontplooiing van de muzikale uitdruk qua vrije atonaliteit met het volle driftleven van de klanken. Maar in dezelfde publicatie spreekt hij zich ook uit tegen de later door Schönberg ontwikkelde twaalftoonstechniek.

Zoals iedere artistieke revolutie - die in retrospect vaak een verdere ontwikkeling lijkt - werd ook het middel van de atonaliteit door conservatieve intellectuelen en critici stevig aangevallen. De dirigent Ernest Ansermet bijvoorbeeld heeft in zijn boek Die Grundlagen der Musik im menschlichen Bewusstsein uit 1961 de atonale muziek haar bestaansrecht volledig ontzegd, omdat volgens hem binnen haar een opzet van een muzikaal fatsoenlijk totaal opgegeven werd en door het vervallen van een zingevende tonaliteit de luisteraar geen gevestigd esthetisch oordeel zou kunnen vormen. De verwekking van een psychische weerklank bij de luisteraar door atonale muziek zou slechts een illusie van zinvolheid brengen. Carl Dahlhaus weerlegt in zijn artikel 'Ansermets Polemik gegen Schönberg' in Neue Zeitschrift für Musik in 1966 - Ansermets aanvaarding als niet-wetenschappelijk.

Uit het oogpunt van de componist[bewerken]

De voorstellingen die op de plaats van de meer tonale muzikale interesse treden, zijn gedeeltelijk muzikale abstracties (bijvoorbeeld: tonaliteit niet als harmonische, maar als statistische relaties, dissonantie niet als harmonie, maar als relatie van de getallen...), gedeeltelijk aan elders (bijvoorbeeld aan de astrologie) ontleende verbeeldingen. De behoefte, die de componisten dienen willen, is niet die naar de consumptie van de klank, maar die naar de zin. Atonale muziek kan als een bijdrage tot zingeving worden aangewend. De componisten die de atonaliteit bezigen treden daarom dikwijls met de gestus op dat hun muziek een verstaanbare boodschap bevat. Zij worden gesteund door die musicologen, die muziek uitsluitend vanuit de materie zelf behandelen.

Ook de met de atonaliteit samenhangende creativiteit van de moderne kunstenaar is dikwijls abstract: het nieuwe verschijnt als waarde op zich, afgescheiden van esthetische facetten. Het ideaal van de moderne kunst wordt dikwijls de originaliteit. In dit ideaal nemen de kunstenaars hun levensbasis in de maatschappij persoonlijk ter harte. In dit opzicht zijn de componisten met hun bijzonderheid bezig, bij het componeren zoeken zij naar haar identiteit, vragen zich het leven lang, hoe zij zijn en op welke manier zij hun innerlijke persoonlijkheid het publiek meedelen kunnen. Uit de geestelijke oorsprong van de kunstwerken concluderen zij, dat het daarin om hen persoonlijk gaat en dat de muziek een uitdrukking van de kunstenaar is. Zo werd vaak de abstracte identiteit tot de inhoud van de boodschap. Ten dienste staat daarvoor materiaal, dat eenieder naar eigen wens kan uitleggen, meteen ook een werkgebied voor abstracte vrijheid.

Publicaties[bewerken]

  • Bryan R. Simms: The Atonal Music of Arnold Schoenberg, 1908-1923, Oxford University Press, 2000. ISBN 0 19512826 5

Zie ook[bewerken]