Borderline-persoonlijkheidsstoornis

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken
Icoontje doorverwijspagina Zie Borderline (doorverwijspagina) voor andere betekenissen van Borderline.
Esculaap     Neem het voorbehoud bij medische informatie in acht.
Raadpleeg bij gezondheidsklachten een arts.
Borderline-persoonlijkheidsstoornis
ICD-10 F60.30 Impulsief type,
F60.31 Borderlinetype
ICD-9 301.83
DSM-IV 301.83
Portaal  Portaalicoon   Geneeskunde

De borderline-persoonlijkheidsstoornis is een van de, in het DSM-IV genoemde, persoonlijkheidsstoornissen.

De naam borderline betekent letterlijk 'grens'. Eerder werd verondersteld dat de stoornis zich in het gebied tussen neurose en psychose bevond. Deze visie is gewijzigd, maar de naam is blijven bestaan. Binnen de American Psychiatric Association (APA), de psychiatrische vereniging die verantwoordelijk is voor het handboek DSM, gaan stemmen op om de naam te wijzigen, bijvoorbeeld in emotieregulatiestoornis (ERS) of een vergelijkbare naam omdat de term borderline niet duidelijk is. [bron?]

Belangrijke kenmerken[bewerken]

Geen twee borderline-patiënten zijn hetzelfde. Er zijn gradaties in, van zeer leefbaar tot zeer heftig. En net zoals bij mensen zonder persoonlijkheidsstoornis, vindt men ook hier extraverte en introverte mensen. Enkele mogelijke kenmerken zijn:

  1. Iemand met borderline-persoonlijkheidsstoornis heeft vaak een laag gevoel van eigenwaarde.
    1. Het lage gevoel van eigenwaarde leidt soms tot zelfbeschadigend gedrag (automutilatie, bijvoorbeeld zichzelf bewust snijden of branden), soms ook in combinatie met manipulatie.
    2. Sommige borderline-patiënten proberen hun onzekerheid daarentegen te overschreeuwen door provocerend gedrag.
  2. Een borderlinepatiënt heeft vaak een sterke neiging tot extreme (voor)oordelen. Bijvoorbeeld: in relaties met vrienden en/of partner is het vaak alles of niets – vaak eerst alles, en daarna plotseling niets.
  3. Soms treedt er dissociatie op: mensen met borderline kunnen af en toe weg zijn, voor een bepaalde tijd niet meer in de realiteit. Het lijkt dan alsof zij zichzelf in een film zien acteren. Dissociatie is een vluchtmechanisme om de emoties onder controle te houden. Het treedt meestal op als de stress te veel wordt.
  4. Veel mensen met borderline leven met de angst om verlaten te worden.
  5. Zelfs in een groep mensen kunnen mensen met borderline zich eenzaam voelen.
  6. Borderline-persoonlijkheidsstoornissen (BPS)kunnen ook samengaan met kortdurende psychoses (enige uren tot een aantal dagen).

Diagnose[bewerken]

Omdat borderline pas sinds de jaren negentig in de DSM is opgenomen, wordt de stoornis soms als modeziekte beschouwd en wordt er vaak denigrerend over gesproken. Aan de andere kant is het begrijpelijk dat door de kenmerken en uitingsvormen van deze stoornis, hierover niet altijd even positief wordt gesproken. Ook omstanders hebben soms te maken met het beschadigend gedrag.

De borderline-persoonlijkheidsstoornis manifesteert zich meestal tijdens de adolescentie (jongvolwassenheid). Voor de oorzaken bestaat geen hard bewijs, maar er zijn wel aanwijzingen dat zowel genetische factoren als omgevingsfactoren een rol kunnen spelen. Volgens de DSM is de kans op de stoornis vijf keer zo groot indien de aandoening ook bij naaste familieleden voorkomt. Algemeen wordt aangenomen dat deze factoren, in combinatie met de sociale omgeving bepalend zijn voor het ontstaan en verloop. Het is niet bewezen dat traumatische gebeurtenissen in de jeugd verantwoordelijk zijn, maar een hoog percentage BPS-lijders meldt wel degelijk seksueel misbruik of emotionele verwaarlozing in de jeugd (een onderzoek van Mary Zanarini geeft 40-71 procent).[1] Door deze verwaarlozingen zijn er hechtingsstoornissen ontstaan. Opvallend is dat de diagnose borderline bij vier tot vijf keer zoveel vrouwen als mannen wordt gesteld. De anti-sociale persoonlijkheidsstoornis wordt desondanks wel 'borderline voor mannen' genoemd. Dit komt wellicht omdat vrouwen de emoties (waaronder agressie) meer naar binnen richten waardoor die minder zichtbaar zijn, terwijl mannen zich meer op de buitenwereld afreageren.

DSM-IV[bewerken]

De DSM-IV (301.83) definieert de borderline-persoonlijkheidsstoornis als een aanhoudend patroon van instabiele interpersoonlijke relaties, een instabiel zelfbeeld, instabiele emoties en een sterke impulsiviteit. De stoornis uit zich in de vroege volwassenheid in verschillende situaties.

ICD-10[bewerken]

In de ICD-10 (F60.3) wordt de emotioneel instabiele persoonlijkheidsstoornis vermeld die in twee typen is ingedeeld:

  • Impulsief type (F60.30) - emotionele instabiliteit, slechte impulsbeheersing, emotionele uitbarstingen.
  • Borderlinetype (F60.31) - emotionele instabiliteit, negatief zelfbeeld, gevoelens van leegte, instabiele relaties, verlatingsangst, zelfdestructief gedrag.

De omgeving[bewerken]

De omgang met mensen met deze persoonlijkheidsstoornis kan moeilijk zijn: een soms verstikkende toeneiging wordt vaak afgewisseld door (perioden van) absolute afwijzing. Dat kan binnen een zeer kort tijdsbestek en zeer abrupt gebeuren. Daarom geeft men sinds een paar jaar voorlichting aan ouders en andere naasten. De materie en de gevolgen zijn al lang bekend, met name in de Verenigde Staten. Dat men hier jarenlang betrokkenheid en inbreng van naasten (ook wel: het 'systeem' van de cliënt genoemd) in de therapie door de GGZ heeft genegeerd, heeft te maken met de opvattingen die destijds de boventoon voerden. De laatste jaren heeft men hierop een andere kijk gekregen. Men dringt nu juist aan op een zo groot mogelijke betrokkenheid vanuit het systeem. Naasten weten immers uit eigen ervaring hoe iemand met een borderline-persoonlijkheidsstoornis zich gedraagt en hoe het is (dagelijks) met een persoon met een dergelijke stoornis te maken te hebben. Het streven is meer bekendheid aan omstanders te verkrijgen. Aangezien nogal eens in de valkuilen wordt getrapt die als kenmerk aanwezig (zouden) zijn. Mits allereerst de diagnose goed is gesteld. Vele omstanders gaan mee in de handel en wandel van de borderliner en houden daarmee juist dat handelen in stand. Vaak doen ouder(s) dat, door te verzwijgen wat een kind feitelijk doet. Echter: bedrog en manipulatie komen regelmatig voor. Als dit door ouders of verzorgers in stand wordt gehouden biedt dat minder kansen om te genezen, ook al zou dat mogelijk kunnen zijn. Met andere woorden: men dient de grenzen duidelijk te stellen. En deze mensen ook geen kans te geven te gaan vermijden wanneer het hen maar goed uitkomt. Men loopt al te graag van de verantwoording weg en gebruiken anderen letterlijk om hun zaken op te (doen) knappen. Daarnaast heeft een borderliner veel behoefte aan begrip en toewijding, omdat veel van hen geen goede hechting hebben leren maken met hun verzorgers (vaak de ouders) tijdens hun jeugd.

Behandeling[bewerken]

Aan een enkel gesprek hebben deze mensen in behandeling niets. Langdurige therapie wordt dan ook aanbevolen. Soms is het leven voor mensen met deze stoornis draaglijker met medicijnen, meer kan worden verwacht van een gestructureerde omgeving waarin iedereen goed weet waar hij of zij aan toe is. Met psychotherapie zijn soms goede resultaten te bereiken. Soms weet een persoon de stoornis te overwinnen, maar als dit niet rond het 35e levensjaar is gebeurd, is de kans groot dat de stoornis van blijvende aard is. Behandelingen zijn onder meer de Dialectische gedragstherapie (DGT) en de VERS-cursus, beide vaardigheidstrainingen. DGT is voornamelijk gericht op het aanleren van vaardigheden om om te leren gaan met de klachten. Het kan de zelfdestructieve gedragssymptomen verminderen, maar heeft geen diepere persoonlijkheidsverandering als doelstelling.

In oktober 2006 kwam in het nieuws dat een nieuwe benadering, schema-therapie, patiënten met borderline persoonlijkheidsstoornis volledig zou kunnen genezen. Schema-therapie is een integratieve benadering, gebaseerd op de principes van de cognitieve gedragstherapie, aangevuld met technieken uit andere psychotherapievormen. Het succes van de therapie houdt verband met de duur en intensiteit: twee sessies per week, drie jaar lang.

Schema-therapie is ontwikkeld door de New Yorkse psycholoog Jeffrey Young, Ph.D. Hij startte de ontwikkeling ervan in de jaren 80. Het eerste Schema Therapy Institute werd opgericht in het midden van de jaren 90 in Manhattan. In een onderzoek van Dr. Josephine Giesen-Bloo en Dr. Arnoud Arntz is schema-therapie vergeleken met Transference Focused Psychotherapy (TFP) bij 86 deelnemers. Na het eerste jaar begonnen de patiënten zich beter te voelen en beter te functioneren. Bij de groep met schema-therapie zette het herstel sneller in dan bij de TFP groep. Na drie jaar werden zeer goede resultaten bereikt bij 45% van de patiënten die schema-therapie kregen (en significante verbeteringen bij twee derde van de deelnemers), tegen 24% van de patiënten die TFP kregen.

Daarnaast wordt er meer en meer op gewezen door verschillende auteurs dat borderlinepatiënten een gebrekkige mentalisatiefunctie bezitten. Hierdoor kunnen ze niet zien dat eigen en andermans gedrag voortkomt uit een innerlijk mentaal leven van wensen, intenties en gedachten. Dientengevolge hebben ze een gebrekkige zelf- en anderenrepresentatie. Deze inzichten leidden tot wat na onderzoek de meest effectieve therapie bij deze populatie patiënten is gebleken: nl. de Mentalization Based Treatment (MBT) van Peter Fonagy en Anthony Bateman. Er wordt in deze theorie uitgegaan van twee modi van omgang met de werkelijkheid die in een normaal ontwikkelingsproces geïntegreerd worden. In de equivalentiemodus worden gedachten en gevoelens gezien als een perfecte kopie van de werkelijkheid, wat gedacht en gevoeld wordt is echt en wat echt is wordt gedacht en gevoeld. In de alsof-modus staat wat gedacht en gevoeld wordt volledig los van de realiteit (zoals bv. het fantasiespel van het kind). Bij een rijpe mentalisatiefunctie zijn beide modi geïntegreerd. Dit is volgens deze theorie bij borderline patiënten niet het geval, dit als afweermechanisme om confrontatie met pijnlijke gedachten en gevoelens te vermijden. Hierdoor verkeren ze ofwel in een equivalentiemodus waar wat gedacht wordt te reëel en dus te pijnlijk is. Ze kunnen zich hier niet tegen beschermen door te mentaliseren (d.i. verklaringen zoeken voor de pijnlijke ervaring in termen van mentale toestanden) waardoor ze via concreet impulsief gedrag deze fysieke sensatie trachten teniet te doen. Het alternatief is dan de alsof-modus: een volledig losstaan van de werkelijkheid, wat zich bij hen vaak vertaalt in dissociëren.

Literatuur[bewerken]

  • Anthony Bateman en Peter Fonagy, Psychotherapy for Borderline Personality Disorder. Mentalization based treatment, Oxford University Press, ISBN 0-19-852766-7
  • Willem van der Does, Zo ben ik nu eenmaal! Lastpakken, angsthazen en buitenbeentjes, Scriptum Psychologie, ISBN 90-5594-346-0
  • Kreger, R. en Mason, P., Leven met een borderliner. Een praktische gids (tweede editie, 2010), Uitgeverij Nieuwezijds, ISBN 978 90 5712 305 4
  • Krook, K., Borderline de baas. Gids voor naastbetrokkenen, HB Uitgevers, ISBN 90-5574-455-7
  • Marsha M. Linehan, Borderline persoonlijkheidsstoornis; handleiding voor training en therapie - ISBN 90-265-1457-3
  • Spaans, J. en Van Meekeren, E., Borderline Hulpboek. Zelf leren omgaan met verschijnselen als impulsiviteit, heftige emoties en conflicten, Boom, ISBN 90-5352-614-5
  • Van Meekeren, E., Alles of Niets, de Borderlinestoornis, Cliëntenbond in de Geestelijke Gezondheidszorg Utrecht - ISBN 90-950-0569-0
  • Scheirs, J.G.M., en Bok, S. (2007). "Psychological distress in caretakers or relatives of patients with borderline personality disorder". In: International Journal of Social Psychiatry, 53(3), 195-203.
  • Leenaert, S., Andijvie met een plastic vork, Clavis, ISBN 978 90 448 0989 3
  • De Wachter, D., Borderline Times, Uitgeverij Lannoo, ISBN 978 90 209 9676 0
  • Bracke, D., Rollercoaster, Davidsfonds Infodok, ISBN 978 90 590 8458 2

Memoires[bewerken]

Externe links[bewerken]

Bronnen, noten en/of referenties
  1. Zanarini MC. Childhood experiences associated with the development of borderline personality disorder.