Caulkicephalus

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken

Caulkicephalus trimicrodon is een pterosauriër behorend tot de groep van de Pterodactyloidea, die tijdens het vroege Krijt leefde in het gebied van het huidige Engeland.

Tussen 1995 en 2003 werden aan de zuidoostkust van het eiland Wight, bij de Yaverland-vindplaats nabij Sandown, in een kleilaag uit de Wessexformatie van de Wealden-groep, Barremien, 128 miljoen jaar oud, fragmenten gevonden van een nog onbekende pterosauriër. Behalve door curator Lorna Steel werden de ontdekkingen gedaan door amateurs: G. Leng, T. Winch, D. Davies, M. New en M. Munt. Een aparte soort werd in 2005 benoemd en beschreven door Steel, David Martill, David Unwin en John Winch. De geslachtsnaam gebruikt het Klassiek Griekse kephalè, "hoofd", om een vertaling te maken van Caulkhead, "breeuwkop", de traditionele bijnaam van een bewoner van het eiland. De soortaanduiding betekent "driekleintand" (tri-mikros-odous) in het Grieks, een verwijzing naar een typerend kenmerk.

Het holotype, IWCMS 2002.189.1, 2, 4, bestaat uit drie min of meer aanuitsluitende stukken van het voorste deel van een snuit. Daarnaast zijn als paratypen toegewezen: IWCMS 2002.189.3, een gedeeltelijk schedeldak; IWCMS 2003.2, een linkerquadratum; IWCMS 2003.4, een mogelijk stuk jukbeen; ICWMS 2002.237, een 44 millimeter lang stuk van het eerste vingerkootje van de vleugelvinger; IWCMS 2002.234.1-4, vier 245 millimeter lange aaneensluitende stukken van een zodanig kootje, IWCMS 2002.233, wellicht het 64 millimeter lange uiteinde van een tweede kootje; IWCMS 2002.236, een stuk van de schacht van wellicht het vierde kootje; en IWCMS 2003.3, vermoedelijk een stuk van een van de achterpoten. De fossielen zijn maar licht samengedrukt of vervormd.

Caulkicephalus

De snuit heeft een bewaarde lengte van 290 millimeter; het fragment houdt op nog voor het begin van de fenestra nasoantorbitalis, de grote schedelopening. Vooraan heeft het een breedte van dertig millimeter, daarna versmalt het naar twintig millimeter om uiteindelijk weer te verbreden naar 42 millimeter. De punt van de snuit is afgerond. Bovenop draagt de snuit een kam die begint vanaf het derde tandenpaar. De kam is afgebroken en zijn hoogte is niet meer te bepalen. De, zelf niet bewaard gebleven, tanden staan in ovale, in de lengterichting georiënteerde, tandkassen die zich iets boven de kaak verheffen. De voorste twee paren tanden staan iets naar voren gericht; meer naar achteren staan ze iets zijwaarts; de achterste wijzen recht naar beneden. De tandrij volgt in grootte de insnoering van de bovenkaken: de omvang neemt eerst toe van het eerste naar het derde paar dat van alle tanden het grootst is, met vijftien millimeter maximale doorsnede. Het vierde paar is even groot als het eerste. Paren vijf, zes en zeven, die in de insnoering staan, zijn echter nog de helft kleiner: het is dit kenmerk waar de soortaanduiding trimicrodon naar verwijst. Paren acht negen en tien hebben weer de grootte van het eerste paar en staan verder uit elkaar. Hierna is er een breuk in het fossiel waarvan de delen niet precies op elkaar aansluiten, dit hiaat is te smal om nog een extra tand te bevatten. In het achterliggende deel zijn nog eens vier tandkassen per zijde zichtbaar; deze staan echter niet in paren tegenover elkaar.

Het schedeldak, dat vrij sterk beschadigd is, toont bovenop de aanzet van een tweede schedelkam, ontspruitend uit de voorhoofdsbeenderen en wandbeenderen, die vermoedelijk naar achteren gericht is. Deze zou dus geen geheel vormen met de kam op de snuit en Caulkicephalus bezat zo volgens de beschrijvers twee kammen. Hij had ook de combinatie van tanden en een achterste schedelkam die eerder alleen van Ludodactylus bekend was. Het schedeldak werd in de buurt gevonden van de snuit, dus de beschrijvers zijn ervan uit gegaan dat ze niet per ongeluk de resten van twee soorten gecombineerd hebben, een met een snuitkam en de ander met een achterhoofdskam, en zo een zogenaamde chimaera schiepen.

Caulkicephalus werd door de beschrijvers, overigens zonder exacte kladistische analyse, toegewezen aan de Ornithocheiridae sensu Unwin. Daarop wees de typische insnoering van de snuit. De snuitkam wijst in ieder geval op een behoren tot de ruimere Ornithocheiroidea sensu Unwin, terwijl ze suggereerden dat de schedelkam een synapomorfie, gedeelde nieuwe eigenschap, van de, ten opzichte van de Ornithocheiridae iets omvattender Euornithocheira zou kunnen zijn. Unieke eigenschappen van de soort, autapomorfieën, liggen in de tandrij die in detail van iedere verdere bekende ornithocheiride verschilde; de naar onderen en achteren lopende beennaad tussen de maxilla en de praemaxilla; en het feit dat de middenrichel van het verhemelte vooraan ophoudt bij het negende tandenpaar.

Caulkicephalus was een vrij forse soort met een, door Martill, geschatte vleugelspanwijdte van ruwweg vijf meter. Hij was vermoedelijk een viseter. De kleilaag waarin de fossielen gevonden zijn was echter geen zeeafzetting en was doorzaaid met landplanten. Dit duidt op een meerafzetting, een aanwijzing dat ornithocheiriden ook verder landinwaarts konden voorkomen.

Literatuur[bewerken]

  • Steel, L., Martill, D.M., Unwin, D.M. and Winch, J. D., 2005, "A new pterodactyloid pterosaur from the Wessex Formation (Lower Cretaceous) of the Isle of Wight, England", Cretaceous Research, 26: 686-698