Ceterum censeo Carthaginem esse delendam

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken
Cato
De ruïnes van het Romeinse Carthago.

Ceterum censeo Carthaginem delendam esse is een Latijnse uitspraak die toegeschreven wordt aan de Romeinse senator Cato Maior (234-149 voor Chr.).

De spreuk betekent letterlijk: Overigens ben ik van mening dat Carthago verwoest moet worden. Carthago was in de tijd van Cato de tegenspeler van Rome tijdens de Punische oorlogen. Cato had de gewoonte elke redevoering, waar deze ook maar over ging, met deze spreuk te beëindigen. Carthago is ten slotte in 146 voor Christus door Rome verwoest. In 29 voor Christus werd de stad door keizer Augustus hersticht (Colonia Julia Carthago).

De strekking van deze uitspraak is dat dingen die belangrijk zijn voortdurend herhaald moeten worden. Wie, bijvoorbeeld in de publieke zaak, iets wil bereiken zal te pas en te onpas zijn boodschap moeten herhalen.

De zin leeft voort in de lessen Latijn op middelbare scholen als voorbeeld van het gerundivum (delendam), de alliteratie (ceterum censeo Cartaginem) en de accusativus cum infinitivo (Carthaginem delendam esse bij censeo).

Betwijfeld wordt of de uitspraak authentiek is. De exacte formulering ceterum censeo Carthaginem delendam esse wordt in antieke bronnen niet vermeld. Plutarchus is de enige antieke bron die Cato in de directe rede citeert, maar doet dat in het Oud-Grieks: Δοκεῖ δὲ μοι καὶ Καρχηδόνα μὴ εἰναι. ("en het lijkt me goed als Carthago er niet meer zou zijn", Parallelle levens, Cato 27), andere bronnen als Plinius Maior (Naturalis Historia, boek 15, XX) geven meer in het algemeen aan dat Cato geroepen zou hebben dat Carthago verwoest moest worden.

In 1821 werd de Latijnse uitdrukking voor het eerst als zodanig vermeld in het boek "Geschichte des römischen Staates und Volkes" van Franz Fiedler.

Trivia[bewerken]

  • Soms wordt door komedieschrijvers deze Latijnse uitdrukking gebruikt om iemand, met een grappig effect voor ingewijden, geleerdklinkende onzin in de mond te leggen, zoals het personage Simon Stokvis in afleveringen van de Nederlandse televisieserie Toen was geluk heel gewoon.
  • Marianne Thieme verwijst naar de uitspraak van Cato door in de Tweede Kamer steevast haar debatbijdragen te besluiten met de zin: "Voorts zijn wij van mening dat er een einde moet komen aan de bio-industrie."