Domus Aurea

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken
Zaal in de Domus Aurea met standbeeld van een Muze

De Domus Aurea (Latijn voor Gouden Huis) was het paleis dat de Romeinse keizer Nero tussen 64 en 68 liet bouwen in het centrum van Rome.

Bouwgeschiedenis[bewerken]

Keizer Nero had het keizerlijke paleis op de Palatijn, de heuvel waarop de Romeinse keizers sinds Augustus hun residentie hadden, al laten verbinden met de keizerlijke bezittingen op de Esquilijn. Hiervoor had hij de Domus Transitoria, het ‘Verbindingspaleis’, laten aanleggen tussen de Palatijn en de Esquilijn. Bij de grote brand van Rome in 64 was dit echter in de as gelegd. Volgens sommige bronnen had Nero deze brand opzettelijk veroorzaakt om plaats te maken voor een prestigieus nieuw project. Hij gaf de architecten Severus en Celer (de namen worden genoemd door Tacitus, Annalen, XV, 42, 1) de planning en uitvoering in handen. Zij bouwden aan de Domus Aurea tussen 64 en 68, het jaar van Nero’s dood. Het paleis bleef onvoltooid, al moet het wel grotendeels klaar geweest zijn, getuige Nero's uitspraak 'nu eindelijk een menswaardig verblijf te hebben gekregen.' Tijdens het vierkeizerjaar dat volgde op Nero's dood, vestigde Otho zich in de Domus Aurea en spendeerde een groot bedrag aan de voltooiing, vooral van de decoratie. Ook keizer Vitellius woonde er vermoedelijk. Maar toen met keizer Vespasianus de Flavische dynastie aan de macht kwam, die de herinnering aan de gehate keizer zo snel mogelijk wilde uitwissen, werd het complex al snel grotendeels onttakeld.

Beschrijving[bewerken]

Fresco in de Domus Aurea

Het complex van de Domus Aurea besloeg een oppervlakte van ca. 80 ha tussen de heuvels Palatijn, Velia, Oppius en Coelius. Het had vanaf het Forum Romanum een monumentale ingang met zuilengalerijen en een enorm voorportaal (vestibulum). Hierin liet Nero door de Griekse beeldhouwer Zenodorus een ruim 35 meter hoog standbeeld van zichzelf maken, de Colossus van Nero. Op het terrein lagen kunstmatig gecreëerde bossen en velden (men sprak wel van rus in urbe; platteland in de stad), waar tamme en wilde dieren rondliepen. In het centrum van het complex lag een groot kunstmatig meer (het stagnum Neronis), op de plaats van het latere Colosseum. In het podium van de Tempel van Claudius, die in aanbouw was op de Coelius maar waarvan de bouw werd stopgezet, werd een uitgebreid nymphaeum aangelegd met fonteinen, mozaïek en marmer. Het feitelijke paleisgebouw lag op de Oppius. De ruïne ervan meet 220 x 70 m. De vertrekken liggen aan weerskanten van een vijfzijdige hof. Waarschijnlijk was er aan de oostzijde nog zo'n vijfzijdige hof gepland, aan de andere kant van de achthoekige zaal die dan het midden van het complex vormde, maar het is onzeker of die ook daadwerkelijk is aangelegd. Het gebouw zou dan een oppervlakte van 370 x 90 m gehad hebben. De façade was minstens 12 m hoog.

Het gebouw was bedekt met marmer, en van binnen bedekt met bladgoud en versierd met edelstenen en parelmoer. Het had veel technische snufjes. Suetonius schrijft dat de eetzalen zolderingen hadden met ivoren vakken die draaibaar waren, zodat er bloemen doorheen gestrooid konden worden, en gaten waaruit reukwerk gesprenkeld kon worden. Het centrum van het gebouw vormde waarschijnlijk de achthoekige zaal. Mogelijk is dit de eetzaal die volgens de beschrijving van Suetonius dag en nacht ronddraaide net als het hemelgewelf. De wanden van de zalen waren beschilderd met fresco's in de vierde stijl (zie: Romeinse schilderkunst). Plinius (Nat. Hist. 35, 120) vertelt dat een zekere Famulus de schilder was van de panelen op de wanden. Veel van deze panelen hebben taferelen uit de Trojaanse oorlog als onderwerp. Zo zijn er de Zaal van Achilles op Skyros en de Zaal van Hektor en Andromache.

Het paleis was rijk versierd met beeldhouwwerken, die Nero voor een groot deel uit Griekenland liet overbrengen. Beroemd is de Laocoöngroep, die werd teruggevonden in een vertrek ten oosten van de achthoekige zaal.

De Domus Aurea werd waarschijnlijk alleen gebruikt voor feesten en vermaak, want tussen de 150 opgegraven ruimtes van het complex zijn nog geen slaapkamers ontdekt. Ook van verwarmingssystemen, keukens en toiletten ontbreekt ieder spoor.

De Domus Aurea na de dood van Nero[bewerken]

Na Nero's zelfmoord in 68 en het erop volgende vierkeizerjaar werd het paleis binnen een decennium ontdaan van het bladgoud, het marmer en ivoor. De keizer had zich niet geliefd gemaakt en onderging na zijn dood de damnatio memoriae, waarbij de Romeinen probeerden de herinnering aan een bepaald persoon compleet uit te wissen. Verscheidene gebouwen die bedoeld waren om de gunst terug te winnen van het volk dat zo te lijden had gehad onder Nero, werden aangelegd op het terrein van de Domus Aurea. Op de plaats van het meer werd tussen 69 en 79 het Colosseum gebouwd door keizer Vespasianus. Deze liet ook een groot deel van de beeldhouwwerken uit het paleis overbrengen naar de door hem gebouwde Vredestempel. Vespasianus' opvolger Titus liet in 79 op de Oppius een badhuis bouwen, de Thermen van Titus, en keizer Trajanus liet daarnaast tussen 104 en 109 een nog veel groter badhuis aanleggen, de Thermen van Trajanus, waarbij de onderverdieping van het paleisgebouw als fundament diende. De tempel van Claudius, waarvan de bouw voor de aanleg van een nymphaeum was onderbroken, werd afgebouwd. Keizer Hadrianus liet de Colossus, die al eerder was veranderd in een beeld van de zonnegod, verplaatsen naar het dal van het Colosseum toen hij de Tempel van Venus en Roma liet bouwen op de plaats van het voorportaal.

De Domus Aurea nu[bewerken]

De Oppius was vanaf de 6e eeuw begroeid met tuinen en wijngaarden. De resten van de Domus Aurea bleven er verborgen onder de resten van de Thermen van Trajanus tot het einde van de 15e eeuw, toen antiquaren de Romeinse schilderkunst in de onderaardse ruimtes ontdekten. Kunstenaars als Rafaël, Pinturicchio en Ghirlandaio bezochten de 'grotten' om zich te laten inspireren door de schilderingen. In 1506 werd het beeld van de Laocoöngroep gevonden in een ruimte onder een wijngaard.

Sinds de herontdekking van de Domus Aurea is de kwaliteit van de fresco's door vocht en schimmel sterk achteruitgegaan. Ook de muren zijn aangetast. Na een plaatselijke aardverschuiving werd in de jaren 80 van de 20e eeuw besloten het gebouw te sluiten voor het publiek om het te restaureren en de fresco's te conserveren. Na langdurig gesloten te zijn geweest werd het in juni 1999 weer opengesteld voor publiek, al is het soms nog gesloten in verband met vallende brokstukken. Op 30 maart 2010 viel een groot stuk van het plafond, zo'n 60 m2, naar beneden.[1]

De toegang bevindt zich aan de Viale Domus Aurea in het Parco Oppio, dichtbij het Colosseum. Het is enkel in kleine groepen van 25 personen te bezoeken, onder begeleiding van een gids.

Bronnen
  • Nicole Dacos, 'La découverte de la Domus Aurea et la formation des grotesques à la Renaissance', Studies of the Warburg Institute, 31, London - Leiden, 1969.
  • Steven Kolsteren, 'Domus Aurea. De politiek van Nero en de Flavische keizers', in: Hermeneus, tijdschrift voor antieke cultuur, 55 (1983) 31-41
  • Jona Lendering, Stad in marmer. Gids voor het antieke Rome aan de hand van tijdgenoten, Amsterdam: Athenaeum – Polak & Van Gennep 2002, 86-91
  • Website Soprintendeza Archeologica di Roma, ‘Domus Aurea’