Elektroscoop

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken
Elektroscoop

Een elektroscoop is een toestel om elektrische lading te meten of te tonen. Het bestaat meestal uit twee bladen uit lichte metalen folie. De folie is verbonden met geleiders. De te meten lading vloeit langs de geleiders naar de bladen. Daardoor gaan de twee bladen elkaar afstoten volgens de wet van Coulomb. Tussen de bladen is er een mechanische terugroepende kracht, meestal de zwaartekracht, of doordat de folie zelf als veer werkt. Hoe groter de lading, hoe verder de bladen zich van elkaar verwijderen. Op een schaal is het mogelijk om de lading af te lezen. Als meetinstrument is de elektroscoop weinig praktisch. De nauwkeurigheid is te klein. De elektroscoop wordt wel veel gebruikt in onderwijs, om de lading aanschouwelijk te maken.

Kosmische straling[bewerken]

De elektroscoop speelde een belangrijke rol bij de ontdekking van zowel radioactiviteit als kosmische straling. Met behulp van een eenvoudige elektroscoop ontdekten Pierre en Marie Curie de elementen radium en polonium. Ioniserende straling uit deze elementen is namelijk in staat om een zeer goed geïsoleerde elektroscoop te ontladen, omdat straling de lucht erom heen ioniseert. Probleem was dat de ontlading ook optrad als er geen radioactieve bron aanwezig was. Daarom werd gedacht dat die ontlading werd veroorzaakt door radioactiviteit afkomstig uit de aardkorst zelf.

Om deze veronderstelling te testen besloot de Duitse jezuïetenpater Theodor Wulf met een door hem ontwikkelde elektroscoop in 1910 de ontlading te meten zowel op de grond als bovenop de 300 meter top van de Eiffeltoren. De gedachte was dat op de top geen of nauwelijks ontlading te meten zou zijn omdat de luchtlaag alle aardse straling zou absorberen. Echter, Wulf ontdekte dat de ontlading geenszins was afgenomen maar zelfs iets was toegenomen. Een verklaring hiervoor kon hij niet geven.

Het was de Oostenrijkse natuurkundige Victor Franz Hess die de resultaten van Wulf verder testte door met een heteluchtballon nog hoger te gaan. Met een elektroscoop aan boord mat Hess dat de straling op 5 km hoogte bijna het dubbele was dan op de grond. Hieruit concludeerde hij dat de straling van buiten de atmosfeer afkomstige moest zijn, ofwel Höhenstrahlung (later kosmische straling), waarvoor hij in 1936 de Nobelprijs kreeg.

Zie ook[bewerken]