Plinius de Oudere

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
(Doorverwezen vanaf Gaius Plinius Secundus maior)
Ga naar: navigatie, zoeken
Plinius de Oudere

Gaius Plinius Secundus maior (Como, rond 23 na Chr. - nabij Stabiae, 25 augustus 79[1]), bijgenaamd maior, d.i. de Oudere, ter onderscheiding van zijn gelijknamige neef Gaius Plinius Caecilius Secundus minor, was een Romeins militair, letterkundige en amateur-wetenschapper.

Inhoud

Biografische gegevens [bewerken]

Hij werd geboren te Como rond 23 na Chr. en kwam om het leven in de buurt van Stabiae tijdens de uitbarsting van de Vesuvius, op 24 augustus 79. Hij stierf op 26 augustus, wat staat beschreven in Plinius Minors Epistulae VI, 16.

Voor zijn opleiding kwam Plinius al vroeg naar Rome. Als jonge officier diende hij onder Corbulo. Later was hij keizerlijk procurator in verschillende gebieden (Germania, Gallia Narbonensis, Gallia Belgica en Africa) en ten slotte werd hij, als vertrouweling en adviseur van keizer Vespasianus, commandant van het vlooteskader te Misenum in de baai van Napels.

Tijdens zijn beroepsleven ontwikkelde hij tevens een grote literaire bedrijvigheid en legde hij zich toe op de studie. Hij staat bekend als een belezen man met universele weetgierigheid, die weinig behoefte had aan slaap en zeer veel las en excerpeerde. Tijdens de lectuur van belangrijke werken maakte hij aantekeningen waarmee hij zelf naslagwerken samenstelde op het gebied van het krijgswezen, de geschiedenis, de grammatica, de retoriek en de natuurwetenschappen.

Plinius werd het slachtoffer van zijn eigen wetenschappelijke belangstelling en zijn plichtsbetrachting: hij kwam om door verstikking (hij leed aan astma) tijdens de uitbarsting van de Vesuvius in 79 n.Chr., toen hij zich naar het terrein van de ramp had begeven, niet alleen voor waarnemingen, maar ook met het oog op de evacuatie van geïsoleerde villabewoners. Hij voer van Misenum naar Pompei, maar deze stad heeft hij nooit bereikt, want het was te donker door de as van de vulkaan, dus voer hij naar Stabiae. Door de aanlandige wind kon hij niet meer wegvaren en hij is gestorven aan de giftige gassen die op hem veel meer impact hadden door zijn zwakke longen. De omstandigheden van zijn dood én van de uitbarsting werden uitvoerig beschreven door zijn neef Plinius de Jongere.

Naturalis Historia [bewerken]

1rightarrow.png Zie Naturalis Historia voor het hoofdartikel over dit onderwerp.

Van de 160 collecties van uittreksels die uit Plinius' verzamelwoede voortkwamen, bezitten wij enkel nog de in het jaar 77 aan keizer Titus opgedragen Naturalis Historia (in 2004 vertaald als De wereld[2]).

Het werk was een ware encyclopedie bestaande uit 102 boeken, waarvan er nog 37 bewaard zijn, zonder veel kritische zin samengesteld. Ze bevatten een enorme massa feiten, over natuurwetenschappen, astronomie, aardrijkskunde, antropologie, biologie, geneeskunde, mineralogie, en aansluitend daarbij tevens belangrijke gegevens over de toepassing in en de geschiedenis van de beeldende kunsten.

In boek XVI beschrijft hij het boomloze land van de Chauken tussen de Noordzee en de wouden, waar mensen op terpen wonen en aarde als brandstof gebruiken.

Plinius' taal is niet echt verzorgd, maar zijn werk is van grote waarde als bron voor de kennis over zijn tijd. In zijn Naturalis Historia beschrijft Plinius ook de later naar hem genoemde Pliniusfontein in de buurt van de stad Tongeren, die hij wellicht heeft leren kennen tijdens zijn verblijf in Gallia Belgica.

Zie ook [bewerken]

Externe links [bewerken]

Bronnen, noten en/of referenties
  1. Uit de brieven van Plinius de Jongere aan Tacitus (Plin. Epist. VI-16) weten we dat hij in de nacht na de uitbarsting om het leven kwam. Afhankelijk van het tijdstip waarop dit gebeurde was dit de 24e of (waarschijnlijker) de 25e augustus.
  2. C. Plinius Secundus, De wereld. Naturalis historia. Vertaald door Joost van Gelder, Mark Nieuwenhuis en Ton Peters (Athenaeum - Polak & Van Gennep, Amsterdam, 2004).