Gemeenschappelijk landbouwbeleid

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken

Het Gemeenschappelijk Landbouwbeleid (GLB) is het landbouwbeleid van de Europese Unie en bestaat tegenwoordig uit twee pijlers: de marktordening en de plattelandsontwikkeling. Het aandeel van de landbouwuitgaven in de begroting van de EU loopt terug, maar is nog altijd 38% van het totaal.


Geschiedenis[bewerken]

Ontstaan[bewerken]

Na de ondertekening van het Verdrag van Rome in 1957 ontstond de Europese Economische Gemeenschap. In artikel 33 van dat Verdrag van Rome werden al de doelen van het landbouwbeleid vastgelegd:

  • de productiviteit van de landbouw te doen toenemen door de technische vooruitgang te bevorderen en door zowel de rationele ontwikkeling van de landbouwproductie als een optimaal gebruik van de productiefactoren, met name de arbeidskrachten, te verzekeren;
  • aldus de landbouwbevolking een redelijke levensstandaard te verzekeren, met name door de verhoging van het hoofdelijk inkomen van hen die in de landbouw werkzaam zijn;
  • de markten te stabiliseren;
  • de voedselvoorziening veilig te stellen;
  • redelijke prijzen bij de levering aan verbruikers te verzekeren.

Opvallend is dat deze doelstellingen, ondanks vele wijzigingen in het beleid, in latere verdragen nooit werden aangepast.

In het vervolg hierop werd het Gemeenschappelijke Landbouwbeleid (GLB) uitgewerkt. De Europese Commissie deed hiervoor een voorstel in 1960. Sicco Mansholt, commissaris van landbouw, was hiervan de geestelijk vader. In 1962 trad het Gemeenschappelijk Landbouwbeleid uiteindelijk in werking. Er werden voor de gemeenschappelijke landbouwmarkt drie principes vastgelegd:

  • Eenheid van de markt: een vrij verkeer van landbouwproducten binnen de EG;
  • Bescherming van Europese producten;
  • Financiële solidariteit: de landbouwuitgaven zijn geen nationale uitgaven, maar worden op EG-niveau gedaan.

Concreet werden kregen producenten van landbouwproducten voor hun producten gegarandeerde minimumprijzen. Overschotten werden opgekocht. In het begin was dit beleid zeer succesvol, maar botste al snel tegen zijn limieten aan: grote overschotten en uit de hand lopende budgettaire kosten. Naar deze overschotten werd ook wel verwezen aan de hand van de begrippen boterberg, melkplas en wijnzee.

Deze subsidies leidden er ook toe dat deze overschotten in de derde wereld gedumpt werden. Voor boeren uit de derde wereld was het daarom niet mogelijk te concurreren tegen producten die met veel subsidie door Europa gedumpt werden.

Mc Sharry-hervorming (1992)[bewerken]

Sinds deMc Sharry-hervorming van 1992 (genoemd naar de toenmalige Europees Commissaris voor landbouw Ray MacSharry) wordt het systeem van prijsondersteuning geleidelijk afgebouwd en vervangen door directe subsidies die onafhankelijk zijn van de geproduceerde hoeveelheden.

Huidig Gemeenschappelijk Landbouwbeleid[bewerken]

Het huidig gemeenschappelijk landbouwbeleid is gebaseerd op twee pijlers: het markt- en inkomensbeleid (Pijler I) en het plattelandsontwikkelingsbeleid (Pijler II).

Externe links[bewerken]

Bronnen, noten en/of referenties
  • E. Mathijs, J. Relaes (2012) Landbouw en voedsel, Verrassend Actueel. Acco, Leuven.