Giacomo Matteotti

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken
Giacomo Matteotti

Giacomo Matteotti (Fratta Polesine (provincie Rovigo), 22 mei 1885 - Rome, 10 juni 1924), was een Italiaanse, socialistische politicus, die in 1924 door een fascistische knokploeg vermoord werd. Het is onduidelijk of dit gebeurde in opdracht van premier Benito Mussolini of dat de knokploeg op eigen houtje handelde.

Politieke carrière[bewerken]

Matteotti werd geboren als zoon van een rijke familie in Fratta Polesine, provincie Rovigo in Veneto.

Hij haalde een licentiaat in de rechten aan de Universiteit van Bologna en was van jongs af aan een activist in de socialistische beweging en de Italiaanse Socialistische Partij. Hij verzette zich tegen Italië's deelname aan de Eerste Wereldoorlog en werd hierom geïnterneerd op Sicilië tijdens deze oorlog.

Hij werd drie keer verkozen: in 1919, 1921 en 1924.

Als opvolger van Filippo Turati werd Matteotti de leider van de Verenigde Socialistische Partij (Partito Socialista Unitario, PSU) in de Italiaanse Kamer van Afgevaardigden na de splitsing van de Socialistische Partij. Hij sprak zich openlijk uit tegen het fascisme en Benito Mussolini en gedurende een tijd was hij leider van de oppositie tegen de Nationale Fascistische Partij (PNF). Sinds 1921 stelde hij fascistische gewelddadigheden aan de kaak in een pamflet met de titel Inchiesta Socialista sulle Gesta dei fascisti in Italia (Socialistische onderzoek naar de daden van de fascisten in Italië).

Moord[bewerken]

graf van Giacomo Matteotti, Fratta Polesine, Rovigo
Herdenkingsteken

De moord vond plaats op een tijdstip waarop het gezag van Mussolini en zijn fascistische partij nog niet absoluut waren. De afgevaardigde Matteotti had kort tevoren in het parlement Mussolini scherp veroordeeld en gezegd dat de recente verkiezingen, die door de fascisten waren gewonnen, een farce waren. Mussolini reageerde hierop door in het openbaar op te merken dat "deze vent, nadat hij die woorden gesproken heeft, niet langer meer zou mogen rondlopen...". Dat was dus een verholen uitnodiging tot moord (vergelijk het geval van koning Hendrik II van Engeland en Thomas Becket of dat van de Oekraïense president Leonid Koetsjma en de journalist Gongadze). Matteotti besefte dit naar het schijnt maar al te goed, hij zou na zijn rede tegen een medestander hebben gezegd dat deze nu alvast zijn begrafenisrede kon gaan schrijven.

De moord betekende een ernstige crisis voor het regime van Mussolini. Na Matteotti's plotselinge verdwijning ontkende hij eerst er ook maar iets mee te maken te hebben. Toen een paar weken later het lijk gevonden werd, verklaarde hij evenwel met veel bombarie de "morele, politieke en historische verantwoordelijkheid" voor de moord op zich te nemen. Doordat de pers al in hoge mate "gelijkgeschakeld" was, wekte de affaire bij de publieke mening minder opschudding dan anders het geval zou zijn geweest. Na enkele maanden waren de meeste Italianen de zaak "vergeten". Voor Mussolini vormde de affaire de aanleiding tot een "vlucht naar voren". Hij versnelde de invoering van een totalitair staatsbestel.

Bronnen