Ierse hongersnood (1845-1850)

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken
Beeld van de honger
Famine Memorial (1967) van Edward Delaney, St. Stephen's Green in Dublin

De Ierse hongersnood (Engels: Great Famine, ook wel: Potato Famine, Iers: An Gorta Mór) is de periode van voedselschaarste die Ierland tussen 1845 en 1850 trof. Voor hun voedselvoorziening waren de Ieren grotendeels afhankelijk van de aardappeloogst. Negentig procent daarvan was echter mislukt als gevolg van de aardappelziekte Phytophthora infestans die veroorzaakt werd door monocultuur. Als gevolg van de voedselschaarste stierven meer dan een miljoen Ieren de hongerdood. Miljoenen anderen vluchtten (al dan niet gedwongen) naar Noord-Amerika, Australië, Nieuw-Zeeland en Groot-Brittannië.

De aardappel was in Ierland sinds 1800 het voornaamste volksvoedsel, met name voor het arme bevolkingsdeel. De oorzaak hiervoor was dat de aardappel op vrijwel elke grondsoort groeide, en veel vitamines en voedingswaarde bevatte. Het waren deels deze eigenschappen die een bevolkingsgroei mogelijk maakten. De hongersnood begon met een misoogst in 1845 als gevolg van de aardappelziekte. Dit was zeker niet de eerste misoogst, sinds 1816 waren er reeds ruim 10 geweest. In 1846 mislukte de oogst eveneens door de aardappelziekte. In 1847 mislukte de oogst niet door de aardappelziekte, maar waren de opbrengsten minder als gevolg van een droogte die de aardappelziekte stopte. Bovendien brak in 1847 de tyfus uit, een toen nog onbekende ziekte. In 1848 werd er enorm veel moeite gestoken in het verhogen van de oogstopbrengsten. Echter door een natte periode brak opnieuw de aardappelziekte uit. Daarbij kwam nog een cholera-epidemie in december van dit jaar. 1849 was misschien wel het slechtste jaar van de Ierse aardappelhongersnood, de bevolking was gedecimeerd en het land volledig bankroet. Pas in 1850 herstelden de oogsten zich weer hoewel er nog wel lokale uitbraken waren van de aardappelziekte.

Door de hongersnood hadden de reeds arme Ierse boeren niet alleen zelf niet te eten, ook de pacht aan de protestantse Engelse adel kon niet betaald worden. Doordat de oogst ook in andere delen van Europa mislukte, stegen de voedselprijzen. Tijdens de hongersnood bleven de Engelse landeigenaren Ierse boter en vlees naar Engeland exporteren. Ook dit vergrootte de problemen in Ierland.

De adel joeg de niet-betalende boeren van hun land, of verschafte geld voor de overtocht naar de Verenigde Staten. Deze overtocht, vaak met ongeschikte schepen (de Coffin ships), was ook niet zonder risico. Zo'n 10 tot 20% van de emigranten overleefden de tocht niet. Waar de bevolking van Ierland in 1840 8 miljoen mensen bedroeg, was deze in het begin van de 20e eeuw rond de 3,5 miljoen door de directe en indirecte gevolgen van de aardappelhongersnood.

Tegenwoordig wordt de term 'hongersnood' ook wel gezien als een misleidende term. Indien er een andere verdeling zou zijn geweest had er helemaal geen honger hoeven te heersen. Ierland was een wingewest van Engeland, waar ook nog eens het liberaal kapitalisme hoogtij vierde.

Tegenwoordig is op veel plaatsen nog te zien waar men vroeger aardappels verbouwde, bijvoorbeeld aan de voet van bergen. Op de verlaten stukken land zijn bij een lage stand van de zon duidelijk de aardappelrichels (potato ridges) te zien waar men de aardappels op verbouwde om ze te vrijwaren van overtollig water. Voor de aardappelhongersnood werden al deze stukken land bebouwd, tegenwoordig wordt die grond voornamelijk nog gebruikt om schapen op te laten grazen. Het zien van deze richels maakt pijnlijk duidelijk wat de omvang was van de aardappelhongersnood.

Bronnen, noten en/of referenties