Jan Wolters van de Poll

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken

Jan Wolters van de Poll (1759-1826) was een directeur van de Sociëteit van Suriname (1785-1791) en burgemeester van Amsterdam van 1808 tot maart 1811.

Biografie[bewerken]

Jan Wolters van de Poll was de zoon van Jacobus van de Poll (1724-1807), bewindhebber Verenigde Oostindische Compagnie en Cornelia Jacoba Wolters (1726-1795) en erfde van hen een grote kunstcollectie.[1]

Hij trouwde met de koopmansdochter Bregje Agatha de Smeth (1760-1823) en woonde op Herengracht 48, 435, 440 en 537. Ze kregen vijf kinderen [2], die allen op jonge leeftijd overleden.[bron?]

Carrière[bewerken]

In Amsterdam heerste in het begin van de 19de eeuw algemene armoede. De welvaart van de laatste eeuwen liet zijn sporen na, maar onder de Fransen veranderde veel. De Hollandse départementen moesten vanaf 1811 jaarlijks 3000 "conscripts" (dienstplichtigen) leveren, maar het begon in juli 1809 met het opsturen van jongens uit de weeshuizen. De Amsterdamse burgemeester Van de Poll liet een waarschuwing uitgaan, verzocht om militaire assistentie en was zelf aanwezig om te zorgen dat er die dag geen rellen zouden plaatsvinden.

Tijdens de onderhandelingen van Lodewijk Napoleon met zijn broer in Parijs, in het voorjaar van 1811, eiste de keizer dat Cornelis Rudolphus Theodorus Krayenhoff en Johan Hendrik Mollerus zouden worden ontslagen, anders zou hij het land annexeren. De koning van Holland ontsloeg echter ook de fransgezinde Wolters van de Poll. Hij werd opgevolgd door Willem Joseph van Brienen van de Groote Lindt.

In december 1811 werd Van de Poll door Napoleon Bonaparte benoemd tot senator. Dit hield zijn verheffing tot graaf in, maar deze titel werd door koning Willem I niet erkend.

Jagtlust[bewerken]

Van de Poll was eigenaar van de buitenplaats Jagtlust in De Bilt, tot de Reformatie een uithof van het klooster Oostbroek. In 1797 kocht hij de ernaast gelegen boerderij Ekelestein van de erven van Eduard Sanderson, kanunnik in het Kapittel van Sint-Marie in Utrecht. Er was 54 bunder land bij, een schaapskooi en er werden koeien en paarden gehouden. Hij kocht in latere jaren nog enkele stukken grond bij zodat het totaal op 61 bunder kwam. Toen Van de Poll drie jaar na zijn echtgenote overleed, werden Jagtlust en Eikelestein per openbare veiling verkocht aan Willem Diemont.

Externe link[bewerken]

Bronnen, noten en/of referenties
  • A.M. Elias en Paula C.M. Schölvinck met medewerking van van H. Boels: Volksrepresentanten en wetgevers, De politieke elite in de Bataafs-Franse tijd 1796-1810, Amsterdam, 1991
  • Johan Joor: De adelaar en het lam. Onrust, opruiing en onwilligheid in Nederland ten tijde van het Koninkrijk Holland en de inlijving bij het Franse keizerrijk (1806-1813) (Amsterdam 2000).
  • Nieuw Nederlandsch biografisch woordenboek. Deel 10
  • M. Sluyser & Fred. Thomas: Twaalf burgemeesters, vijf honderd jaar Amsterdam, uitgegeven door Andries Blitz in 1939
  1. Hij vererfde deze collectie aan zijn zuster Sara Maria Dedel-van de Poll, die vijf jaar later overleed. Daarna kwam de collectie terecht bij Harmen van de Poll (1774-1834) en daarna bij diens zoon Harmen Jan van de Poll (1809-1870). In 1935 is de collectie ondergebracht in de Van de Poll-Wolters-Quinastichting.
  2. DTB Stadsarchief Amsterdam [1]