Kernongeval van Three Mile Island

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken
De kerncentrale Three Mile Island
Een grafische weergave van de uiteindelijke situatie in het reactorvat.

Op 28 maart 1979 vond het kernongeval van Three Mile Island plaats in de kerncentrale Three Mile Island in Harrisburg, Pennsylvania in de Verenigde Staten. Het ongeval betrof het ernstigste kernongeval in een civiele kernreactor in de Verenigde Staten. Door een betrekkelijk kleine storing in eenheid TMI-2 vond een kernsmelting plaats, en kwam uiteindelijk een aanzienlijke hoeveelheid radioactief gas in de atmosfeer.

Ongeval[bewerken]

Het begon met een betrekkelijk geringe storing in het secundaire koelcircuit van de centrale. Die storing zorgde er voor dat de temperatuur in het primaire koelwater ging stijgen. Zoals het hoort, schakelde de reactor door middel van een noodstop automatisch uit. Dit gebeurde in ongeveer een seconde.

Als een reactor uitgeschakeld is, vindt er geen nucleaire kettingreactie van kernsplijtingen meer plaats. De warmteproductie stopt grotendeels, maar ook een uitgeschakelde reactor produceert door vervalprocessen van het radioactieve materiaal nog veel restwarmte die moet worden afgevoerd. Dit gebeurt via het koelsysteem.

In Three Mile Island begon de druk in het primaire koelsysteem op te lopen, waarop een veiligheidsventiel open ging om de druk te verlagen. Dit ventiel ging echter niet meer dicht toen de druk voldoende was gezakt. Dit kon door het ontwerp van de centrale door de operators op het controlepaneel niet worden waargenomen. Hierdoor ging een dermate groot deel van de primaire koelvloeistof verloren dat er stoombellen in de leidingen binnenin de reactor ontstonden, waardoor de koeling van de reactor niet meer voldoende was en de temperatuur bleef oplopen. Hierdoor werd de reactorkern ernstig beschadigd. Bij het ongeval zijn radioactieve gassen geloosd in de atmosfeer.

De operators in de controlekamer waren niet in staat de situatie waar te nemen en adequaat te reageren op de onvoorziene uitschakeling van de reactor. Onvoldoende instrumentatie en te weinig training op het reageren in noodsituaties bleken medeoorzaken van het ongeval te zijn.

Gevolgen[bewerken]

Omdat er lozing van radioactieve stoffen had plaatsgevonden, werd besloten gedurende vele jaren de gezondheid van de bevolking van de Amerikaanse staat Pennsylvania te volgen. Dit bevolkingsonderzoek is achttien jaar lang voortgezet, maar heeft geen nadelige gevolgen voor de bevolking vastgesteld. De als gevolg van het ongeval ontvangen stralingsdosis was binnen vijftien kilometer van de centrale gemiddeld 0,08 millisievert (0,08 msv), met een enkele individuele uitschieter van 1 millisievert. Dat is ongeveer een derde van de normale stralingsblootstelling van mensen (2,5 millisievert per jaar).

Er waren weliswaar geen gevolgen voor de gezondheid, maar de economische schade was wel aanzienlijk. Pas na zes jaar kon men het reactorvat openen en toen bleek dat de schade veel groter was dan eerst verondersteld. Een groot deel van de reactorbrandstof lag gesmolten op de bodem van het vat. Pas in 1993 was de schoonmaak van het reactorvat afgerond. De centrale was economisch gezien verloren.

De eenheid wacht nu op afbraak. Dit zal gebeuren wanneer de tweede eenheid van de centrale buiten gebruik wordt gesteld.

Invloed op beleid[bewerken]

Het ongeval in Harrisburg heeft samen met de ramp in Tsjernobyl geleid tot een wereldwijde bewustwording van de risico's van kernenergie. Toch heeft dat niet geleid tot grootschalige afbouw van kerncentrales. Wel is er een tijdlang een aanzienlijke terughoudendheid ontstaan bij het bouwen van nieuwe centrales. Pas rond 2000 begon de belangstelling voor de inzet van kernenergie in de mix van energiebronnen weer toe te nemen. Vandaar dat er naast de snel voortgaande nieuwbouw in Azië (economische hot-spots), ook weer nieuwbouw gepleegd wordt in Oost-Europa en Finland. Ook zijn er in de Verenigde Staten weer initiatieven voor de bouw van nucleaire centrales.

Perrow ontwikkelde naar aanleiding van het ongeval bij Three Mile Island zijn theorie van systeemongevallen. Hij stelt dat bij complexe interacties met sterke koppelingen ongevallen onvermijdelijk en daarmee 'normaal' zijn. Hij heeft het dan ook over 'normale ongevallen'. Vanwege die onvermijdelijkheid zet hij onder meer kanttekeningen bij het gebruik van risicoanalyse. Storingen en ongevallen kunnen relatief zeldzaam voorkomen. Dat kan ertoe leiden dat uit een risicoanalyse volgt dat bijvoorbeeld kernenergie weinig risico heeft en daarom toelaatbaar is. Perrow stelt dat de mogelijke gevolgen dusdanig zijn dat deze techniek toch verlaten moet worden.