Kleurenleer van Goethe
De kleurenleer van Goethe ("Zur Farbenlehre") is een natuurwetenschappelijk werk van Johann Wolfgang von Goethe, verschenen in het jaar 1810.
Goethe wijdde een groot deel van zijn leven aan de bestudering van kleuren en andere natuurwetenschappelijke verschijnselen. Hoewel Goethe vooral als dichter bekend is geworden, zag hij zelf zijn natuurwetenschappelijke werk als zijn grootste verdienste. Tegen zijn vriend en medewerker Johann Peter Eckermann zei Goethe aan het einde van zijn leven:
Ook sprak hij:
Toch hadden en hebben weinigen waardering voor Goethes natuurwetenschappelijke werk, hoewel sommige moderne natuurwetenschappers (onder andere Henri Bortoft en Reinhold Sölch) weer meer begrip voor Goethes kleurenleer krijgen.[bron?]
Een verklaring voor het vele onbegrip kan zijn, dat men Goethes kleurenleer vanuit zuiver fysisch oogpunt benadert. Goethes methode wijkt echter af van de hedendaagse empirische wetenschappelijke benadering, in die zin dat hij de dingen niet waarnam als uiterlijk verschijnsel, maar als fenomeen, dus als het geheel van uiterlijk verschijnsel en innerlijk wezen. In zijn autobiografische roman "Dichtung und Wahrheit" maakt Goethe ons meermalen attent op zijn bijzondere waarnemingsvermogen.
Licht en donker [bewerken]
Volgens Goethe zijn er twee basiskleuren: hemelsblauw (cyaan) en geel. Blauw ontstaat door de aanschouwing van donker door het licht heen, zoals we overdag de hemel zien ('s nachts is die zwart, maar als de atmosfeer overdag door zonlicht iets wordt verlicht, nemen we die zwarte hemel als hemelsblauw waar). Andersom ontstaat geel door de aanschouwing van licht door het donker heen, zoals we het "witte" zonlicht waarnemen door de relatief donkere atmosfeer. Deze beide kleuren zijn oerfenomemen: fenomenen die niet tot andere fenomenen te herleiden zijn. Hetzelfde verschijnsel kan men waarnemen bij een kaarsvlam in een donkere ruimte: hemelsblauw wanneer men door de vlam de donkere ruimte erachter waarneemt (onderaan de vlam) en geel, daar waar de verbranding het meest intens is (in de kern).
Door bovenstaande experimenten kwam Goethe tot de conclusie, dat kleuren ontstaan door de wisselwerking van licht en donker. Anders gezegd: door vertroebeling van licht door donker enerzijds (geel dus) of vertroebeling van donker door licht anderzijds (blauw dus). Op dit punt komt de tegenstelling met Isaac Newtons kleurenleer duidelijk naar voren: Newton verklaarde de kleuren aan de hand van de zogenaamde Newtonschijf door de verschillende golflengten. Newton beschouwde wit licht als een combinatie van licht van alle golflengten (binnen de band van waarneembare straling). Newton "brak" het witte licht (volgens Newtons theorie) met een prisma in de kleuren van de regenboog. Goethe was dan ook zeer verbaasd dat deze brekingstheorie van Newton niet klopte met zijn eigen experiment met een prisma. Hij nam een prisma maar hij zag geen kleuren ontstaan. Volgens Goethe was er niets zo "heel" als wit licht (heel kan men ook zien als synoniem voor heilig). Goethe sluit aan bij de symboliek van de tegenstelling licht en duisternis. (goed en kwaad, vreugde en verdriet enz.)
Achteraf kunnen we verklaren waardoor Goethe het licht niet kon "breken" met een prisma. Goethe deed het experiment waarschijnlijk op een mistige dag, zodat het overal even licht was: er was geen wisselwerking tussen licht en donker zoals bij het experiment van Newton. Eigenlijk ondersteunt het prisma-experiment van Newton de theorie van Goethe.
Vanuit de polariteit blauw-geel kunnen de andere kleuren worden verklaard, als er het principe van de intensivering ("Steigerung") bij wordt betrokken. Bij een intensivering van geel verschijnt de kleur rood. (de ondergaande zon wordt rood als het witte licht door meer atmosfeer gaat). Bij intensivering van blauw ontstaat violet (de hemel tegenover de ondergaande zon).
Rot nehmen wir also vorerst als keine eigene Farbe an, sondern kennen es als eine Eigenschaft, welche den Gelben und Blauen zukommen kann. Rot steht weder dem Blauen als dem Gelben entgegen; es entsteht vielmehrs aus ihnen; es ist ein Zustand, in den sie versetzt werden können, und zwar wie wir hier vorläufig sehen, durch Verdichtung und durch Aufeinander drängung der Teile.
Geel verandert door intensivering in rood. Blauw wordt door intensivering violet. Hiermee is meteen een verklaring gegeven van de warme en koude kleuren. Goethe luisterde bij de ontwikkeling van zijn kleurenleer ook veelvuldig naar kunstschilders, hoe zij de kleuren (psychologisch) ervoeren. Het blauw en het violet aan de "duistere" koude zijde en het geel en het rood aan de "lichte" warme zijde. De geelachtige ('warme') kleuren en de blauwachtige ('koude') kleuren worden in een kleurencirkel verbonden door groen en magenta (door Goethe Purper genoemd). Het groen als neutraal tussen warm en koud inliggend, tussen de oerfenomenen blauw-geel (groene planten). En het magenta (purper) als kleur die zowel warmte als koude in zich draagt, inliggende/verbindend tussen de geïntensifeerde kleuren rood en violet. Het is de kleur magenta die als synthese van "geintensifeerde" kleuren van de duistere en de lichte zijde, als spiritueel ervaren wordt.
Als conclusie kunnen we deze kleuren in een soort davidster opstellen twee gelijkzijdige driehoeken in elkaar: een driehoek met de punt omhoog: links onder cyaan, rechtsonder geel, boven magenta. een driehoek met de punt omlaag: links boven violet, rechtsboven rood, onder groen.
De bovenste driehoek zijn de primaire kleuren zoals in de subtractieve kleurmenging dient te worden gebruikt. (kleurendruk en schilderen) De onderste driehoek zijn de basis kleuren zoals bij additieve kleurmenging dient te worden gebruikt. (televisie) De kleuren die tegenoverelkaar staan zijn complementaire kleuren.