Koudegolf

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken

Een koudegolf is een relatief uitzonderlijke koude periode die in een bepaald gebied plaatsvindt.

Nederland[bewerken]

Een koudegolf komt in Nederland maar weinig voor. Volgens het KNMI is een koudegolf een aaneengesloten periode van minstens 5 ijsdagen (etmaal waarbij de temperatuur niet boven het vriespunt komt), waarvan op 3 dagen de minimumtemperatuur lager is dan -10,0 graden (strenge vorst)[1]. Toch zijn er in elke koude winter één of meer opmerkelijk koude periodes aan te wijzen, waarin het dagen achtereen tot strenge vorst komt en de laagste temperaturen van de hele winter worden gemeten. Dat gebeurt meestal nadat er een dik pak sneeuw is gevallen en het onder een heldere hemel flink kan afkoelen.

Top drie[bewerken]

1942[bewerken]

Kijkt men naar de koudste periodes van tien dagen in de twintigste eeuw dan is de periode 18-27 januari 1942 in De Bilt de koudste met een gemiddelde etmaaltemperatuur van -11,3 graden. De extreme koudeperiode begon al een week eerder en vanaf 12 januari 1942 kwam de temperatuur in De Bilt vrijwel elke dag lager dan -10 graden. De laatste dagen werden records gevestigd: op 26 januari 1942 kwam het kwik in De Bilt niet hoger dan -11,2 graden en de nacht die volgde koelde het af tot -24,8 graden, de laagste standen ooit op het hoofdstation van het KNMI gemeten.

Op 27 januari 1942 registreerde Winterswijk -27,4 graden, de laagste temperatuur van de eeuw in Nederland. Op veel plaatsen was het de koudste nacht van de eeuw met 20 tot 25 graden vorst. Een tramconducteur in Den Haag schrijft in zijn dagboek over de vele sneeuwstormen in deze winter met sneeuwduinen van twee meter hoogte.

1956[bewerken]

De periode 15-24 februari 1956 staat met een gemiddelde temperatuur van -10,5°C op de tweede plaats. Ook toen viel er veel sneeuw, op de Waddeneilanden meer dan een halve meter. In deze maand vroor het in De Bilt in acht nachten meer dan -15°C met -21,6 graden als minimum op 15 februari. Op 16 februari 1956 noteerde Uithuizermeeden -26,8 graden, op één na de laagste temperatuur van de eeuw.

1929[bewerken]

De winter van 1929 leverde de op twee na ergste koudegolf: van 11-20 februari was de temperatuur in De Bilt gemiddeld -9,7 graden. Een week lang vroor het hier elke dag zeer streng, meer dan 15 graden onder nul. In Winterswijk werd op 14 februari van dat jaar -21,5 graden gemeten, maar ook het zuiden van het land deed deze keer mee met de kou: Sittard met -21,4 graden en Gemert met -20,7 graden.

België[bewerken]

In België is deze definitie anders. Een koudegolf is volgens het KMI een periode van minstens 5 aaneengesloten dagen met vorst (minimumtemperaturen onder 0°C). Op minstens 3 van deze dagen moet de maximumtemperatuur onder het vriespunt blijven.

Zie ook[bewerken]

Bronnen, noten en/of referenties