Kroonmees

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken
Kroonmees
IUCN-status: Niet bedreigd[1] (2012)
Parus xanthogenys1.jpg
Taxonomische indeling
Rijk: Animalia (Dieren)
Stam: Chordata (Chordadieren)
Klasse: Aves (Vogels)
Orde: Passeriformes (Zangvogels)
Familie: Paridae (Echte mezen)
Geslacht: Machlolophus
Soort
Machlolophus xanthogenys
(Vigors, 1831)
op Wikispecies Wikispecies
Portaal  Portaalicoon   Biologie
Vogels

De kroonmees (Machlolophus xanthogenys; synoniem: Parus xanthogenys) behoort tot de familie van de Paridae.

Kenmerken[bewerken]

Dit is een van de weinige soorten mezen die getooid zijn met een kuif.

Verwantschap[bewerken]

Machlolophus xanthogenus, de Indische kroonmees is kennelijk een vertaling van het Duitse Kronenmeise. De Britse naam, die sprekender lijkt, luidt yellow-cheeked tit dat Geelwangmees betekent. In het oostelijk deel van de Himalaya - xanthogenus heeft domicilie in het westelijk gedeelte - leeft Parus splinotus die veel op de eerstgenoemde lijkt, maar een heldergeel voorhoofd heeft en ten slotte nummer drie, Parus haplonotus, die in Centraal-India voorkomt en door de inheemsen betiteld wordt met Puttani kurivi, dat Erwt-vogeltje betekent, daar dit diertje graag erwten consumeert.

Vroeger werden ze alle drie gerekend tot een apart geslacht, namelijk Machlolophus en in diverse vogelboeken komt men dan ook uitsluitend die naam tegen. Later heeft men ze echter ondergebracht bij de echte mezen, die gerekend worden tot het geslacht Parus, waartoe ook vrijwel alle Nederlandse mezen behoren. (Een uitzondering vormen de staartmees en het baardmannetje.)

Leefwijze[bewerken]

Ook de kroonmeesjes hebben ongeveer dezelfde gewoonten als 'onze' mezen; buiten de broedtijd zwerven ze rond, druk miesperend en sieterend, op zoek naar eterij: 's zomers allerlei dierlijk voedsel zoals insecten en larven, spinnetjes en dergelijke, 's winters zaadjes, bessen en zachte vruchten. Het zijn uitermate behendige klauteraars; evenals 'onze' hemelsblauwe pimpelmezen buitelen ze als volleerde acrobaatjes aan takjes en twijgjes, onder een tevreden sie-sie-sie-geroep, alles minutieus onderzoekend of er niet in een of ander barstje, spleetje of gaatje iets eetbaars is.

Voortplanting[bewerken]

In de paartijd geeft het mannetje wel eens een kort 'fluitconcert' ten beste om een dametje te bekoren; hij laat hierbij de vlerkjes ietwat hangen en richt de kuif monter omhoog. Als het huwelijk eenmaal een feit is, wordt een holte opgezocht, liefst een gat in een boom op vrij grote hoogte of in een knoest. Sommige soorten zijn al zo aan mensen gewend, dat ze er niet tegen op zien een plekje in een tuin of park uit te zoeken. Mannetje en vrouwtje zijn ideale partners: samen bouwen zij het nest van grassen, mos, plantenstengels en dergelijke, dat later wordt gestoffeerd met haren en veertjes, bebroeden om beurten de vier tot acht witte, bruin gestippelde eitjes en dragen gezamelij zorg voor het grootbrengen van het kroost. Is dat eenmaal uitgevlogen, dan blijft de familie nog geruime tijd bijeen en het ongedierte dat dan wordt opgeruimd is aanzienlijk!

Import[bewerken]

Volgens Neunzig werden de eerste kroonmezen in het begin van de vorige eeuw ingevoerd en men kan zich afvragen, wat een reis de diertjes achter de rug hadden, voor ze goed en wel in de Berlijnse dierentuin (1907) te zien waren. Toen bestond het vervoer per vliegtuig nog niet en derhalve moesten de diertjes eerst naar een haven in Voor- of Achter-Indië en vervolgens per schip naar Europa! Tientallen jaren daarna werden ze nog geïmporteerd, echter steeds in (zeer) kleine aantallen.

Verspreiding en leefgebied[bewerken]

Men moet ze in de vrije natuur zoeken in het Himalaya-gebergte, waar ze voorkomen in twee soorten, alsmede in de Nilgiris, de 'Blauwe bergen' in het hoogland van Midden-India.

In de volière[bewerken]

In een ruime, goed beplante volière kunnen ze goed wennen, hoewel ze aanvankelijk wel eens wat agressief willen zijn. Als voedsel nuttigen ze graag zonnebloempitten, diverse noten en zachte vruchten, een mengsel van universeelzaad, hard gekookt eigeel en geraspte kaas en verder blauw maanzaad, wat hennep, groenvoer, mierenpoppen, diverse insecten en larven.

Hoewel de kroonmezen in hun vaderland op aanzienlijke hoogten leven, zijn ze ten ontzent toch niet winterhard. Men dient er dus in het barre jaargetij voor te zorgen, dat ze een verwarmd onderkomen hebben.

Bronnen, noten en/of referenties