Lepel (bestek)

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken
Lepels
Chinese porseleinen lepels

Een lepel is een gebruiksvoorwerp waarmee voedsel in vaste of vloeibare vorm kan worden opgeschept, meestal is het onderdeel van een bestek.

De lepel bestaat al eeuwenlang in allerlei verschillende vormen. Tegenwoordig worden lepels meestal gemaakt van metaal of kunststof. In China worden lepels van porselein gebruikt.

Soorten lepels[bewerken]

Schep en steel[bewerken]

De lepel omvat twee constitutieve elementen: een lepelsteel en een lepelschep die de "bak" wordt genoemd. De bak zit aan het uiteinde en is het eigenlijke werktuig of instrument. De steel dient tot houvast en manipulatie van het instrument.

Deze twee worden met elkaar verbonden, meestal blijvend. Omdat de verbinding tussen steel en bak het kwetsbaarste deel van de lepel is wordt deze plek soms versterkt met een zilveren plaatje, een gekartelde versterking wordt een "rattestaart" genoemd.

Doorgaans wordt een lepel als één geheel vervaardigd, doch het is denkbaar dat een steel wordt geproduceerd waarop één of meerdere lepelscheppen kunnen worden aangesloten. Eventueel wordt dergelijke steel voorzien van verschillende instrumenten, zoals het uiteinde van een vork, mes, spatel, of ander gereedschap. Eventueel kan voor een fysische anomalie, zoals een verminkte, een kleine of bijzonder grote hand, een bijzondere steel worden gemaakt, waarop dan naar behoefte instrumenten kunnen worden aangebracht.

Statussymbool[bewerken]

Op deze tekening van Pieter Breughel de Oude uit ongeveer 1550 draagt een pelgrim een, waarschijnlijk houten, lepel aan zijn riem.

In de middeleeuwen werd in Europa reizen zonder lepel als een uitdrukking van de ergste armoede beschouwd. De arme reizigers hadden een houten lepel op zak, de rijken bezaten een zilveren of een gouden lepel. Deze lepels werden in een foudraal, een op maat gemaakt doosje, bewaard. Het was tot in de 17e eeuw gebruikelijk dat iedere gast zijn of haar eigen bestek meenam.

Het maken van goede lepels is een kunst op zich en lepels werden dan ook door de lepelmaker vervaardigd. Mes, en soms ook vork, werden elders gemaakt en gekocht. Er zijn wel tal van zilversmeden geweest die zowel lepels als vorken vervaardigden. De oude couverts bestaan daarom uit een lepel en een vork. De messen werden tot aan het einde van het gildesysteem ten tijde van de Franse Revolutie door weer een andere ambachtsman vervaardigd.

Als uitdrukking van genegenheid en toewijding werd door een man vaak een bijzonder mooie, kunstig bewerkte lepel aan een vrouw gegeven, die als siervoorwerp aan de muur werd gehangen.

De 19e eeuw zag een grote groei van het aantal modellen lepels. Waar ooit een enkele lepel en vork dienst deden werd de tafel nu gedekt met sauslepels, natfruitlepels, groentelepels, soeplepels, opscheplepels, aardappellepels, punchlepels, roomlepels, mosterdlepels, dessert- en hors d'oeuvrelepels, juslepels, opengewerkte strooilepels en wat dies meer zij. De toegenomen welvaart en de grote zilverproductie maakten dat mogelijk.

In Nederland worden de voor de handel bestemde zilveren en gouden lepels van een jaarletter en een gehaltestempel voorzien.

De geschiedenis van de lepel[bewerken]

Twee Romeinse lepels

De lepel, een nabootsing van de hand, is na het mes één van de oudste uitvindingen gedaan door de mens.

De opgegraven Romeinse lepels hebben een kenmerkende scherpe hoek tussen steel en bak. Lepels met een scherpe punt op de steel, in het latijn heet een dergelijke voor het eten van slakken bestemde lepel een "Cochlear" waarvan het Franse "cuiller" zal zijn afgeleid, zijn overal in het rijk teruggevonden. Mogelijk werd de scherpe punt ook gebruikt voor het prikken in eierschalen, het eten van schaaldieren als alikruiken en wulken en het opprikken van lekkere hapjes.
Op lepels staan vaak godsdienstige teksten en ronde punten op de steel konden het uiterlijk van een kop of dier krijgen. De gebrekkige verbinding tussen de naald en de steel maakte de Romeinse lepels minder stevig dan onze huidige lepels.

Houten lepel uit de 16de-eeuwse carrack Mary Rose

De oudste geschreven Nederlandse vermelding van een lepel, het woord is verwant aan "leppen" of "lapen" wat slurpen betekende, is in de inventaris van de nalatenschap van Floris V van Holland. De graaf bezat "enen sulveren broken lepel" en "ein en twintich sulveren leijpelen".[1]

De gewone man moest het met minder kostbare lepels stellen. Velen aten met een spaander waarvan het Engelse "spoon" afgeleid zou zijn. Houten lepels waren kostbaarder en de soms in de bodem teruggevonden lepels die uit een plaat koper werden geslagen waren een luxe waar een boer jaren voor spaarde. De zilveren lepels van de adel waren waarschijnlijk nog van het Romeinse model. Een zeer oude lepel voor het zalven van een koning behorende tot de Engelse regalia is in ieder geval Romeins van vorm. Ook Italiaanse lepels uit de middeleeuwen volgen nog het Romeinse voorbeeld.

Houten lepels zijn in de Nederlanden tot in het begin van de 20e eeuw gebruikt. De laatsten die daarmee aten waren boertjes op het Vlaamse platteland.[2]

Bijzonder zijn de gedeeltelijk houten, gedeeltelijk zilveren lepels uit de renaissance. In het Rijksmuseum in Amsterdam zijn twaalf perenhouten lepels met zilveren monturen op de steel in de vorm van apostelen bewaard gebleven.

Vanaf de veertiende eeuw werden de houten lepels in de steden verdrongen door tinnen en koperen lepels. De tinnen lepels werden uiteraard gegoten terwijl koper werd gehamerd.

Zilveren en tinnen lepels met een standvoet en korte steel worden wel "medicijnenlepels" genoemd. Historisch is deze naam niet gestaafd, op schilderijen[3] ziet men de lepels gebruiken tijdens maaltijden.

In de 16e eeuw ziet men een ontwikkeling waarbij de oorspronkelijk vijgvormige bak van de lepels steeds ronder wordt. Later wordt de bak langwerpig zoals bij moderne lepels.

In de zeventiende eeuw deed de sierlepel haar intrede. Deze pronkstukken zijn vaker bewaard gebleven dan de dagelijks gebruikte lepels. Men gaf en kocht lepels als relatiegeschenk, herinnering aan een doop of tewaterlating. Er zijn ook in Groningen gekeurde zilveren lepels[4] met vrouwenhoofden als steeluiteinde bewaard. In Engeland noemt met dit "maidenheadlepels". Zij zouden Maria moeten voorstellen.

Hadden de eerdere lepels allen ronde stelen, in de tweede helft van de 17e eeuw ontstond een nieuw model lepel met platte steel. Daar past geen eikeltje of figuurtje meer op. De meest gebruikte steeluitenden zijn nu drielobbig en de bak is met een naald of lof vastgezet.

Vioolbak

Rond 1700 ontstaat in Frankrijk het model "pied-de-biche" met een plat uitstaand steeluiteinde waarin met enige fantasie een afdruk van een "hondenpootje" kan herkennen.

In 1750 was het "vioolbakpatroon" geliefd. Deze Franse stijl waarbij de steel eerst heel smal en dan heel breed wordt is zeldzaam. In Nederland werd deze mode weinig nagevolgd.

In de late 18e eeuw wordt het steeluiteinde accoladevormig. Uit de late 18e eeuw kennen we ook klaverbladvormige en afgeronde modellen. De drukke krullerige steeluiteinden die als model "rococo" of "Louis XVI" verkocht worden zijn een product van de 19e en 20e eeuw en de neo-stijlen. De oude bestekken zijn zonder uitzondering eenvoudig van vorm. Pas aan het einde van de 18e eeuw zien we steeluiteinden met beheerst uitgevoerde palmetten.
Acanthusbladeren, al dan niet omgekruld, ziet men op Nederlandse lepels vanaf 1760.

De 19e eeuw brengt industrieel vervaardigde lepels en tal van nieuwe materialen zoals messing binnen bereik van een groot publiek. Aluminium couverts zijn rond 1850 een zeer kostbare rariteit en duurder dan zilver. Er komen honderden modellen met geponste versieringen op de markt waarvan de parelrand, het Hollands glad en het Haags lofje zich handhaven.

Aan het eind van de 19e eeuw komt absinth in zwang. Men giet de groene drank over een suikerklontje in een glas. Ook daarvoor worden lepels gemaakt die gemakkelijk een klontje bevatten en waarin gaatjes de "groene fee" laten wegstromen.

Andere delen van een bestek:

Voetnoten[bewerken]

  1. Inventaris van 1297, opgemaakt door Peter canunc van Oudemonster en Philips van Duvenvoorde gepubliceerd in Jaarboek Oud Utrecht 1933
  2. J. Wyns, Volkshuisraad in Vlaanderen, 1974, Blz. 524.
  3. o.a. Lucas van Valkenborgh rond 1580
  4. Meester Geert Jacobs van Ootmarsum, werkzaam 1674 - 1693