Mefiboseth

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken

Mefiboseth (Hebreeuws: מְפִיבֹשֶׁת) is een naam uit de bijbel en heeft betrekking op twee verschillende personen.

Zoon van Saul[bewerken]

Mefiboseth is een zoon van koning Saul en zijn bijvrouw Rizpa.[1] Na de dood van Saul willen de Gibeonieten voldoening voor het feit dat Saul hen probeerde uit te roeien. Zeven nakomelingen van Saul werden door Koning David aan de Gibeonieten overgeleverd om gedood te worden, waaronder genoemde Mefiboseth.[2] Na hun dood hield Rizpa, de moeder van Mefiboseth, 's nachts de wacht bij hun lijken. Later begroef David hen bij het graf van Saul en Jonathan.[3]

Zoon van Jonathan[bewerken]

Illustratie uit de Morgan Bible van Mefiboseth en Koning David

Deze Mefiboseth wordt ook wel Merib-Baäl (Hebreeuws: מְרִיב־בַּעַל) genoemd.[4] Hij was de zoon van Jonathan en dus kleinzoon van koning Saul en neef van bovengenoemde Mefiboseth. Toen Saul en Jonathan stierven, was Mefiboseth vijf jaar. Door het bericht van hun dood raakte de verzorgster van Mefiboseth in paniek en liet Mefiboseth vallen, waarop hij kreupel werd aan beide voeten.[5]

David wilde naar het verbond dat hij met Jonathan had gesloten[6] de nakomelingen van Jonathan gunst betonen en ging naar hen op zoek. Dankzij Ziba, een voormalige knecht van Saul, kwam hij erachter dat er maar één nakomeling over was, namelijk Mefiboseth.[7] Het verslag in 2 Samuël vervolgt:

5 Toen stuurde koning David boden en liet hem uit het huis van Machir halen, de zoon van Ammiël, uit Lodebar.
6 Toen Mefiboseth, de zoon van Jonathan, de zoon van Saul, bij David binnenkwam, wierp hij zich met zijn gezicht ter aarde en boog zich neer. David zei: Mefiboseth! En hij zei: Zie, hier is uw dienaar.''
7 David zei tegen hem: Wees niet bevreesd, want ik zal u zeker goedertierenheid bewijzen omwille van uw vader Jonathan. Ik zal u alle akkers van uw vader Saul teruggeven, en ú zult voortdurend aan mijn tafel de maaltijd gebruiken.
8 Toen boog hij zich en zei: Wat is uw dienaar dat u aandacht schenkt aan een dode hond als ik ben?
9 Toen riep de koning Ziba, de knecht van Saul, en zei tegen hem: Al wat van Saul en heel zijn huis was, heb ik aan de zoon van uw heer gegeven.
10 Daarom moet u voor hem het land bewerken, u, uw zonen en uw slaven, en u moet hem de opbrengst brengen, zodat de zoon van uw heer voedsel heeft om te eten. Mefiboseth, de zoon van uw heer, zal voortdurend aan mijn tafel de maaltijd gebruiken. Nu had Ziba vijftien zonen en twintig slaven.
11 En Ziba zei tegen de koning: Overeenkomstig alles wat mijn heer de koning zijn dienaar gebiedt, zo zal uw dienaar doen; Mefiboseth zal aan mijn tafel eten als een van de zonen van de koning.[8]

Jaren later, toen David voor zijn zoon Absalom uit Jeruzalem moest vluchten, kwam Ziba hem tegemoet. Op Davids vraag waar Mefiboseth was, antwoordde Ziba:

Zie, hij blijft in Jeruzalem, want hij zei: Vandaag zal het huis van Israël het koninkrijk van mijn vader aan mij teruggeven.[9]

David geloofde deze leugen en gaf Ziba al de bezittingen van Mefiboseth.[10] Later, toen David terugkeerde naar Jeruzalem, kwam Mefiboseth hem tegemoet, ongewassen en onverzorgd. David vroeg hem waarom Mefiboseth hem destijds niet tegemoet was gegaan. Mefiboseth antwoordde:

26 En hij zei: Mijn heer koning, mijn dienaar heeft mij bedrogen, want uw dienaar zei: Ik zal een ezel voor mij zadelen, en daarop rijden en naar de koning trekken; uw dienaar is immers kreupel.
27 Bovendien heeft hij uw dienaar bij mijn heer de koning belasterd. Mijn heer de koning is echter als een engel van God; doe maar wat goed is in uw ogen.
28 Heel het huis van mijn vader was immers bij mijn heer de koning ten dode opgeschreven; toch hebt u uw dienaar geplaatst bij hen die aan uw tafel eten. Wat voor recht heb ik dan nog, en hoe kan ik dan nog een beroep doen op de koning?[11]

David erkende zijn schuld, maar besloot dat Mefiboseth dan maar zijn bezittingen moest delen met Ziba.[12] Mefiboseth antwoordde hem grootmoedig:

Hij mag ook alles wel nemen, omdat mijn heer de koning in vrede in zijn huis is gekomen.[13]

Na dit verslag maakt de bijbel geen melding meer van Mefiboseth. Wel van Mefiboseths nakomelingen, via zijn zoon Micha.[14]

Bronnen, noten en referenties

  1. 2 Samuël 21:8
  2. Hierbij had hij mededogen met de andere Mefiboseth, daar hij een nakomeling was van zijn vriend Jonathan; 2 Samuël 21:7
  3. 2 Samuël 21:1-14
  4. 1 Kronieken 8:34; 9:40
  5. 2 Samuël 4:4
  6. 1 Samuël 20:12-17
  7. 2 Samuël 9:1-4
  8. 2 Samuël 9:5-11, Herziene Statenvertaling
  9. 2 Samuël 16:3, Herziene Statenvertaling
  10. 2 Samuël 16:1-4
  11. 2 Samuël 19:26-28, Herziene Statenvertaling
  12. 2 Samuël 19:24-29
  13. 2 Samuël 19:30, Herziene Statenvertaling
  14. 1 Kronieken 9:40-44

Literatuur