Nationaal Leger

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken

Het Nationaal Leger is de krijgsmacht van de republiek Suriname. Het grootste onderdeel is de landcomponent, die bestaat uit een bataljon lichte infanterie. Verder is er een bescheiden luchtcomponent met enkele lichte vliegtuigen en een marinecomponent met enkele patrouilleboten. Het Nationaal Leger bestaat volledig uit beroepsmilitairen.

Geschiedenis[bewerken]

Het begin[bewerken]

De krijgsmacht van Suriname werd onder de naam Surinaamse Krijgsmacht (SKM) opgericht bij de onafhankelijkheid van Nederland op 25 november 1975. Dit had nog wel wat voeten in de aarde, want aanvankelijk voelde Nederland - en dan in het bijzonder de minister van Binnenlandse Zaken De Gaay Fortman - niet voor zo'n volwaardige krijgsmacht. Nederland zag meer in een gewapende politiemacht. Maar na aanhouden van premier Arron stemde Nederland uiteindelijk toch in met de oprichting van de Surinaamse Krijgsmacht.

De nieuw opgerichte Surinaamse Krijgsmacht nam het materieel en de infrastructuur over van de Troepenmacht in Suriname (TRIS) het voormalige koloniale leger van Nederland. Ook het personeel van de TRIS stapte deels over naar de nieuwe SKM. Daarnaast gingen Surinaamse militairen die tot dan toe deel uit gemaakt hadden van de Nederlandse Koninklijke Landmacht over naar de SKM. In tegenstelling tot het ex TRIS-personeel had het ex KL-personeel recht op een suppletieregeling van Nederland, een aanvulling op hun salaris van de SKM tot het niveau van hun Nederlandse collega's. Dit zorgde voor scheve gezichten aangezien de ex-TRIS-militairen deze suppletie niet kregen. Op materieel gebied probeerde Suriname ook nog patrouilleboten en helikopters van Nederland te krijgen, maar Nederland wees dat verzoek af. Wel kwam er een Nederlandse militaire missie in Suriname, verbonden aan de Nederlandse ambassade, die de nieuwe Surinaamse Krijgsmacht met raad en daad terzijde zou staan. Deze missie bestond uit 3 officieren, 2 onderofficieren en twee lokale werknemers. De missie stond onder leiding van de kolonel Hans Valk.

De militaire machtsovername in Suriname[bewerken]

Het uit Nederland afkomstige kader, onder wie Desi Bouterse en Badrissein Sital, wilde inspraak en medezeggenschap. De leiding en de regering waren hier echter tegen. Eind 1979 werd er door een aantal sergeants een militaire vakbond opgericht, de Bond voor Militair Kader (BOMIKA). Vanwege een bezetting in de Memre Boekoe Kazerne werd de politie er op af gestuurd om die actie te breken. Militairen en politiemensen stonden in een gespannen sfeer bewapend tegenover elkaar, maar er gebeurde niets. Kort daarop werden 3 bestuursleden Badrissein Sital, Ramon Abrahams en Laurens Neede gearresteerd en vastgezet. De drie gearresteerde sergeanten kwamen vervolgens op 20 februari 1980 voor de krijgsraad, waarbij zij verdedigd werden door Eddy Bruma en Frank Leeflang. De krijgsraad zou uitspraak doen op 26 februari, maar zover kwam het niet: op 25 februari pleegden 15 sergeants en één officier onder leiding van sergeant-majoor Desi Bouterse een coup om hun kameraden te bevrijden, de Sergeantencoup.

De sergeants namen de macht in het leger en ook in het hele land over. Premier Arron dook onder en werd later gearresteerd en legerbevelhebber kolonel Elstak werd eveneens gevangengenomen en later uit zijn functie gezet en vervangen door Bouterse. De militairen installeerden een junta, de Nationale Militaire Raad, waarin o.a. Bouterse en Sital zitting hadden. Tegelijkertijd bevorderden de coupplegers zich tot hoge militaire rangen. De Surinaamse Krijgsmacht werd hernoemd in Nationaal Leger.

Op 8 december 1982 vonden de zogenaamde Decembermoorden plaats, waarbij het leger een aantal tegenstanders van het Bouterse-regime uit de weg ruimde.

Tussen 1986 en 1992 vocht het Nationaal Leger de zogenoemde Binnenlandse Oorlog oorlog uit met het Junglecommando van Ronnie Brunswijk, een ex-militair en ex-lijfwacht van Desi Bouterse.

Terugkeer naar de democratie[bewerken]

In 1987 waren er democratische verkiezingen in Suriname waarna er een democratisch gekozen burgerregering aan de macht kwam onder leiding van president Ramsewak Shankar. Bouterse bleef echter aan als bevelhebber, en ook andere leden van de oorspronkelijke groep van 16 bleven aan op hun hoge militaire posten. In 1992 raakte Bouterse in conflict met de regering en werd gedwongen tot aftreden. De minister van Defensie, Siegfried Gilds probeerde vervolgens een nieuwe bevelhebber aan te stellen in de persoon van Arthy Gorré, ook één van de oorspronkelijke "Groep van Zestien", maar later in ongenade gevallen bij Bouterse. Dit stuitte echter op verzet van de overgebleven coupplegers die hoge posties in het leger bekleedden, o.a. Sital en Ivan Graanoogst. Minister Gilds gaf hen opdracht om op te stappen, hetgeen ze aanvankelijk weigerden. Nadat de Surinaamse regering hen, met steun uit de Verenigde Staten en Nederland, onder druk had gezet, stapten ze in 1993 toch op. Gorré werd als bevelhebber geïnstalleerd en reorganiseerde en democratiseerde het leger. Hij bracht het aantal militairen terug van 4000 naar 2000. In 1995 werd Gorré vervangen door Glenn Sedney. Deze liet in 1999, tijdens massale betogingen tegen de regering van Bouterse-aanhanger Jules Wijdenbosch waarbij er geruchten de ronde deden over een door de militairen uit te voeren staatsgreep, weten dat het leger alleen met gezond verstand gegeven commando's van de gekozen regering zou uitvoeren en zich niet zou mengen in de politiek.

Luchtmacht[bewerken]

Roundel of the Suriname Air Force

In 1982 werd formeel een bescheiden luchtmacht binnen het Nationaal Leger opgericht. Het eerste militaire toestel was een Hughes 500 Model 369D helikopter met de eenvoudige registratie SAF-100 (Suriname Air Force one-hunderd). Dit toestel maakte op 31 maart 1982 tijdens een missie in het binnenland een onfortuinlijke crash, waarbij alle inzittenden inclusief piloot Foster Ford omkwamen. Nog hetzelfde jaar werden vier vliegtuigen van het Britse Britten-Norman BN-2A Defender (militaire versie van de Islander) geleverd. Deze vlogen met de registratie nummers SAF-001, SAF-002, SAF-003 en SAF-004. Achtereenvolgens werd de vloot uitgebreid met een Cessna 172 Skyhawk (SAF-007), een Cessna 206 Turbo Stationair-6 (SAF-200) en een Cessna 303 Crusader (SAF-008). Al het vliegend materiaal werd ingezet voor transport, lichte observatie, grensbewaking en "search & rescue" missies.

De vluchten vinden voornamelijk plaats vanaf het vliegveld Zorg en Hoop te Paramaribo en tevens af en toe vanaf de Internationale luchthaven Johan Adolf Pengel te Zanderij, het Majoor Henry Fernandes vliegveld te Nieuw-Nickerie en Moengo. In 1986 zorgde de binnenlandse guerrilla strijd van het jungle commando onder leiding van Ronnie Brunswijk ervoor dat de overheid de luchtmacht versterkte met de aanschaf van twee Aérospatiale Alouette III SA316B (SAF-300 & SAF-301) helikopters en drie Pilatus PC-7's (SAF-111, SAF-112 & SAF-113) besteld voor trainings & COIN (Counter-Insurgency) missies. Eén van de Alouette's verongelukte bij een crash en na enkele jaren werden de twee geleverde PC-7s terug naar vliegtuigbouwer Pilatus in Zwitserland gestuurd, echter na enige tijd keerde eentje terug in Suriname. In 1988 werd een Bell 205 Iroquois (SAF-300) aangeschaft vanuit Venezuela om als "gunship" gebruikt te worden in de binnenlandse strijd.

In 1999 werden een tweetal CASA 212-400's Aviocar transport toestellen aangeschaft (SAF-212 & SAF-214) uitgerust met Garret AiResearch TPE331-10HR turbo-prop motoren. Eén van deze twee in Spanje gebouwde CASA 212-400's was een zogenaamde Maritime Patrol Aircraft versie (SAF-214) speciaal gemodificeerd voor kustwacht bewaking en uitgerust met een Bendix RDR-1500 surveillance radar. Een chronisch gebrek aan reserve onderdelen en middelen belemmeren het onderhoud en houden diverse toestellen aan de grond. Drie Indiase HAL Dhruv helikopters zijn besteld in 2009 en worden waarschijnlijk in 2014 geleverd.

Marine en Kustwacht[bewerken]

In 1977 ontving de Marine van Suriname 3 patrouillevaartuigen uit Nederland, gebouwd door De Vries Scheepsbouw. Met een lengte van 32 meters en elk schip aangedreven door twee Paxman 12YHMC diesel motoren van 1200 pk konden deze vaartuigen een maximumsnelheid van 20 knopen halen. De schepen werd tussen februari 1977 en 1978 overgedragen aan Suriname met de boeg nummers S-401, S-402 & S-403. Deze vaartuigen zijn reeds jaren buiten gebruik, het laatste operationele schip de S-401 werd later de P-401 en ligt nog steeds aangemeerd in de Marinehaven van Paramaribo. Een van de twee andere werd omgebouwd tot luxe jacht is nog steeds te zien op de Suriname rivier. Anno 2012 hebben de meeste door de Marine gebruikte boten hun basis te Domburg.

In november 2012 deelde de Minister van Binnenlandse Zaken mede dat defensie voor de nieuw opgerichte Kustwacht drie patrouille vaartuigen besteld had bij het Franse bedrijf OCEA. Deze vaartuigen zullen gebruikt worden voor het beschermen van de visserij in de Surinaamse territoriale wateren, kustbewaking en de strijd tegen piraterij. Deze order vertegenwoordigde een waarde van 16 miljoen euro. De eerste snelle patrouilleboot ("Fast Patrol Boat") (P201), een 32 meter lang, 6,3 meter breed FPB 98 type schip, werd afgeleverd in juni 2013. De eerste boot was aangekomen in Paramaribo per containerschip van de haven van Saint-Nazaire, Frankrijk. De schepen kunnen snelheden bereiken van 30 knopen. Levering van de resterende twee kustwacht vaartuigen (P101 & P102), FPB 72 type (24 meter lang), heeft inmiddels plaatsgevonden in de loop van 2013. De Surinaamse regering bestelde de drie schepen, om een plan te versnellen bij het instellen van een Kustwacht voor Suriname, die zal worden geïmplementeerd op het uitvoeren van patrouille taken ten bestrijding van misdaad op zee bij activiteiten zoals illegale visserij, drugshandel en piraterij.

De nieuwe eenheid zal onder het Ministerie van Binnenlandse Zaken komen te vallen. Voor de bemanning, werden soldaten overgebracht van de marine-eenheid (Marine) van het Nationale Leger, die het eerste Kustwacht (Coast Guard) personeel zal vormen. De Maritieme Autoriteit Suriname (MAS) is momenteel een opleiding gestart met 16 studenten van het Natuur Technisch Instituut (NATIN) en de technische faculteit van de Anton de Kom universiteit van Suriname, die het technisch onderhoud van de schepen zal uitvoeren. Schepenbouwer OCEA zond een trainer samen met de boten naar Suriname om te helpen uitvoeren van deze zes maanden durende cursus. Kolonel Jerry Slijngaard staat aan het hoofd van de door de regering ingestelde Coast Guard Comité. De aankoop van de vaartuigen is maar een begin. Drie boten zullen amper volstaan om de territoriale wateren van Suriname te patrouilleren en bij de bestrijding van criminaliteit maritieme activiteiten zoals piraterij, maar ten minste is nu snel actie mogelijk. De eenheid krijgt zijn eigen basis aan de oevers van de Suriname rivier nabij Paramaribo. Met kustwacht posten aan de grens met Guyana (in westelijke District Nickerie) en Frans-Guyana (in Oost-District Marowijne). Wetgeving waarop de Kustwacht eenheid zal worden gegrondvest is bijna klaar. Het zal binnenkort worden ingediend bij de Raad van Ministers en de Raad van State, waarna het ter goedkeuring wordt aangeboden aan de voorzitter van de Nationale Assemblee. De nieuwe eenheid is een civiele organisatie, met autoriteit om de wet in Surinaamse territoriale wateren te handhaven. De Surinaamse regering is niet van plan om te bezuinigen op de kosten van de Marine, zodra de Coast Guard volledig operationeel is. De Marine zal blijven bestaan en opereren in volle zee buiten de 100-mijlzone.

Bevelhebbers van de Surinaamse strijdkrachten[bewerken]

Bronnen, noten en/of referenties
  • Wim Hoogbergen en Dirk Kruijt: De oorlog van de sergeanten: Surinaamse militairen in de politiek. Amsterdam, Uitgeverij Bert Bakker, 2005. ISBN 90-351-2998-9