Otto II van Gelre
Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
| ca 1215-1271 | ||||||
|---|---|---|---|---|---|---|
| Graaf van Gelre | ||||||
|
||||||
|
Otto II van Gelre (ca 1215 - 10 januari 1271), bijgenaamd de Lamme, was graaf van Gelre van 22 oktober 1229 tot zijn dood in 1271. Hij is de zoon van graaf Gerard IV van Gelre en Margaretha van Brabant. De graaf had vele bijnamen. Voorbeelden hiervan zijn ‘de Lamme’ of de ‘Hinkende’.
Op vijftienjarige leeftijd, volgde hij zijn vader Gerard III van Gelre op. Otto regeerde 42 jaar. Otto II trouwde in 1240 met Margaretha van Kleef, de dochter van graaf Diederik VI van Kleef en Mechtild van Dinslaken. Zij schonk hem twee dochters:
- Margaretha (-1281), die trouwde met graaf Enguerrand IV van Coucy
- Elisabeth, die trouwde met graaf Adolf V van Berg.
In 1253 trouwde hij met Filippa de Dammartin, dochter van graaf Simon van Dammartin, en werd vader van:
- Reinoud (1255-1326)
- Filippa, gehuwd met Walram van Valkenburg, Monschau en Sittard, dochter van Dirk I van Valkenburg
- Margaretha, gehuwd met graaf Diederik VIII van Kleef.
Otto II was het meest afhankelijk van de Duitse rijksvorst van de Nederrijnlanden. Hij bemiddelde vaak bij vetes in zijn omgeving. Ook werd hijzelf vaak in conflicten betrokken door zijn bezittingen in Westfalen, onder andere met de graven van Ravensberg en Tecklenberg maar ook met de bisschoppen van Münster, Osnabrück en Paderborn.
Om de invloed in de Nederrijnlanden voerde Otto II vele oorlogen met de graven van Kleef en bisschoppen van Utrecht. Zijn aanspraken op het Salland moest hij daardoor opgeven
In 1247 wordt Otto II door de paus gevraagd of hij Rooms-koning wil worden. Hij is de tweede keus, want de hertog van Brabant heeft de kroon al geweigerd. Hij wijst dit aanbod af, omdat dit ambt veel nadeel zal brengen. In 1248 komt de stad Nijmegen in zijn bezit. Otto II laat in 1250 aanvangen met de bouw van de Grote of Sint-Stevenskerk, die pas in 1476 zal worden voltooid. Vlak voor zijn dood vecht hij nog enkele geschillen met de stad Zutphen uit. Hij trekt de tolvrijheid van de stad in, een actie waar hij op zijn sterfbed spijt van heeft.
Otto bereikte als bondgenoot van de Hertogen van Brabant en Graven van Holland (van 1261 t/m 1262)hoge positie in Neder-Lotharingen. Hij verkreeg vele heerlijkheden waaronder Groenlo, Bredevoort en Lichtenvoorde. Zodoende was hij beschermheer van Keulen.
Een andere bijnaam van Otto is ‘de stedenstichter’. Hij verleent tijdens zijn regeerperiode stadsrechten aan maar liefst 29 steden, onder meer Geldern (1229), Goch (ca 1230), Roermond (1231), Harderwijk (1231), Grave (1232), Emmerich (1233), Arnhem (1233), Doetinchem (1236), Doesburg (1237), Wageningen (1263) en Montfort (Waarschijnlijk in 1263).
Otto II werd opgevolgd door zijn zoon Reinoud I.
Hij ligt begraven in het klooster van Graefenthal.

