Paris qui dort

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken
Paris qui dort
Regie René Clair
Producent Henri Diamant Berger
Hoofdrollen Henri Rollan
Albert Préjean
Charles Martinelli
Marcel Vallée
Madeleine Rodrigue
Muziek Jean Wiener
Montage René Clair
Cinematografie Maurice Desfassiaux
Paul Guichard
Distributie Film Arts Guild
Première 1925
Speelduur 35 minuten
Taal Frans (tussentitels)
Land Vlag van Frankrijk Frankrijk
(en) IMDb-profiel
Portaal  Portaalicoon   Film

Paris qui dort[1] is een stomme film van de Franse regisseur René Clair. De film werd gedraaid in 1923 en werd uitgebracht in 1925. De film is ook bekend onder de naam The Crazy Ray en 3.25.

Synopsis[bewerken]

Leeswaarschuwing: Onderstaande tekst bevat details over de inhoud en/of de afloop van het verhaal.

De hoofdpersonage uit de film, Albert, is Eiffeltoren wachter en woont bovenin de toren. Op een dag wordt hij wakker en hij merkt dat er geen bezoekers zijn op de toren én dat de stad onder hem verdacht stil is. Hij vraagt zich af hoe dit komt en gaat met de lift naar beneden; daar ontdekt hij dat de stad ‘bevroren’ en opvallend leeg is. De tijd lijkt stil te staan en niemand beweegt. De mensen die hij tegenkomt staan stil alsof ze plots bevroren zijn; een zwerver die in een prullenbak graait, een agent die een dief achterna zit, een man die in de Seine lijkt te willen springen, allen zijn geparalyseerd. Dan komt hij vier anderen tegen die ook verwonderd om zich heen kijken. Ze concluderen dat alles gisteravond tot een stilstaan is gebracht behalve zijzelf, omdat zij zich respectievelijk in een vliegtuig of in de Eiffeltoren bevonden. De groep besluit gebruik te maken van de situatie en te gaat naar een chique restaurant waar ze wijn drinken en de kledij stelen van de rijke gasten die verstild zijn tijdens het diner. Ook gaan ze zwemmen in een fontein en spelen met geld op de Eiffeltoren. Ondanks de schijnbare fijne situatie gaan alle figuren zich vervelen. De mannen proberen de enige vrouw in het gezelschap te pakken te krijgen en er breken gevechten uit. Dan horen ze via de radio in het wachtershuisje een noodoproep en besluiten gehoor te geven aan de stem die hen vraagt naar een bepaalde plek te komen. vervolgens komt de groep aan bij het laboratorium van professor Crase. Het nichtje van professor Crase heeft de oproep gedaan en zij legt uit dat haar oom een machine heeft gemaakt waaruit straling komt waardoor iedereen in slaap valt. Ze confronteren de dokter en zeggen hem dat hij de slaaptoestand ongedaan moet maken. De professor blijkt vergeten te zijn om de anti-formule uit te werken. Hij werkt deze alsnog uit en zet de tijd weer in gang. Het leven in de stad gaat verder alsof er niets gebeurd is. Albert gaat op stap met het nichtje van professor Crase, de anderen gaan ieder hun eigen weg. Maar Albert heeft geen cent op zak en vat het plan op om met de machine van professor Crase geld te gaan verdienen. Samen met het nichtje zet hij de tijd weer stil en ze gaan op pad om iemands zakken te rollen. Op het moment dat zij daar mee bezig zijn ontdekt professor Crase dat de stad weer slaapt en maakt die toestand weer ongedaan. Albert en het nichtje worden opgepakt voor het zakkenrollen en proberen op het politiebureau uit te leggen wat er gaande is. Ze worden niet geloofd en naar een gesticht gebracht waar de anderen van de groep ook zitten; ze hebben allemaal het ongelofelijke verhaal verteld. Allen worden vrij gelaten en Albert en het nichtje gaan terug naar de Eiffel toren. Hij vraagt zich af of het allemaal een droom is geweest, maar dan vindt hij een ring waardoor hij overtuigd wordt dat het geen droom was en geeft de ring aan het nichtje.

Citysymphony[bewerken]

De film is te plaatsen binnen het genre van de citysymphony, maar met surrealistische trekken. Het genre van de citysymphony beleefde haar hoogtepunt rond de jaren 20 en 30 van de 20e eeuw. Kenmerken van films uit het genre zijn:

  • de stad die gefilmd is wordt getoond als het hoofdpersonage van de film;
  • de film is op locatie geschoten;
  • de film lijkt op een documentaire van het dagelijks leven (vaak wordt het ritme van een dag/nacht in de stad weergegeven);
  • hoge graad van abstractie;
  • gebruik van experimentele technieken;
  • de film is zelfreflectief

De grootstad was een populair onderwerp in de begin jaren van de vorige eeuw. In New York werden de wolkenkrabbers gebouwd en steden werden gezien als een plek voor roes en opwinding. Voorbeelden van citysymphonies zijn: Manhatta, Berlin, the symphony of a great city en Regen. De films bevatten de kenmerken van de citysymphony, ze zijn anoniem, hebben een hoge graad van abstractie en maken gebruik van veel, voor die tijd experimentele, filmtechnieken. De citysymphony probeert weer te geven dat de stad of metropool wordt gekenmerkt door filmische structuren en dat film wordt gekenmerkt door stedelijke structuren. En dat beide goed naar voren komen (film en de stad) wanneer zij samen worden gebracht. Alhoewel in Paris qui dort Parijs duidelijk in beeld komt, is Parijs niet het hoofdpersonage uit de film. René Clair vertelt een fictief verhaal via de esthetica van de citysymphony. Parijs is fragmentarisch in beeld gebracht, veel verschillende bekende pistes van de stad dienen als plaats van handeling maar daarnaast staat ook de esthetiek van die pistes staat centraal, zoals de Eiffeltoren. Het surrealistische element in de film is dat de conventie van tijd en plaats doorbroken wordt; niet iedereen bevindt zich in dezelfde tijdsdimensie terwijl zij wel tegelijkertijd op dezelfde plek zijn. Alles wat een stad zou kunnen kenmerken (drukte, hybriditeit) wordt tot stilstand gebracht. Clair begreep niet alleen hoe realiteit gemanipuleerd kon worden, maar ook wat een dramatische vertellingkon toevoegen aan die manipulatie. Een herkenbare omgeving wordt op een surrealistische wijze gemanipuleerd waardoor het dramatische verhaal niet alleen amusant wordt om naar te kijken maar de kijker er ook op geattenedeert wordt dat perceptie afhangt van beweging, snelheid en actie. Elementen die door de filmmaker gecontroleerd worden, en worden ingezet als middel om een verhaal te vertellen. In dit geval op een surrealistische manier. Met andere woorden zou je kunnen stellen dat het normatieve karakter van de tijd gedeconstrueerd wordt op een surrealistische wijze.[2] Naast de grootstad als thema van de moderniteit wordt in Paris qui dort ook het belang van geld benadrukt. De hoofdpersonages stelen kledij en geld van de rijken wanneer zij door de verstilde stad trekken. Maar ook wanneer de stad weer tot beweging is gebracht wordt het gelijk duidelijk dat leven zonder geld onmogelijk is. Albert en het nichtje van professor Crase gaan terug naar de professor om de tijd weer tot stilstand te brengen en te geld te stelen. De verstoring van de sociale orde die gebaseerd is op economie (geld) bedreigt het beginsel van de rede zelf. Met andere woorden: in het verlangen naar meer geld verstoren Albert en het nichtje de bestaande orde door stilstand, om hun eigen behoeftes te bevredigen. Het besef van het belang van geld en de individuele behoefte maakt het dat Clair een commentaar lijkt te leveren op socioloog Simmel, die schreef dat het leven in de grootstad werd gekenmerkt door intellect en niet door persoonlijke verlangens.[3] Clair geeft een cinematische kritiek op de ideeën over stedelijkheid van begin 20e eeuw.

Stilstand/beweging[bewerken]

In de film wordt gespeeld met het gegeven van tijd, het verschil tussen beweging en stilstaan wordt op verschillende manieren benaderd en geaccentueerd. De eerste shots van de film zijn panoramashots genomen vanaf de Eiffel toren. Vervolgens wordt de hoofdpersonage geïntroduceerd, we zien hem bewegen op het balkon van de toren terwijl de stad roerloos onder hem ligt. Wanneer hij besluit naar beneden te gaan wordt niet alleen hij, maar ook de Eiffeltoren zelf in beeld gebracht. De constructie van het monument wordt geaccentueerd terwijl Albert door die constructie van staal naar beneden rent. Albert wordt gefilmd door eencamera op een lift. Dus de camera en Albert bewegen neerwaarts in het stilstaande monument. Dan volgen er verschillende shots van de Eiffeltoren, genomen vanuit verschillende hoeken en hoogtes, soms vanuit een statische en soms vanuit een bewegende camera gefilmd. De toren is door deze filmstijl niet alleen een filmlocatie waar zich een handeling afspeelt, maar biedt ook de mogelijkheid om het spel tussen schaduw en licht, beweging en fixatie, met de camera weer te geven.[4] De kenmerken van de citysymphony zoals het op locatie schieten en het gebruik van experimentele technieken zijn in deze scene terug te vinden. Vervolgens wordt op straatniveau ook een spel gespeeld met de verhouding tussen film en foto. De plekken die gefilmd worden, zijn statisch in beeld gebracht. Ze doen denken aan ansichtkaarten of foto’s van Parijs. Met het verschil dat de fototgrafische beelden of ansichtkaarten van in Paris qui dort weer in beweging worden gebracht door de uitvinding van professor Crase. Net zoals film bestaat uit verschillende frames die door een machine in beweging kunnen worden gebracht. De macht die de machine heeft over de tijd komt het duidelijkst naar voren aan het eind van de film, wanneer de tijd meermalen tot stilstaan wordt gebracht. De mogelijkheden van cinema zoals stop-motion, acceleratie en animatie worden benadrukt. Door het benadrukken van de mogelijkheden van film en de materie waaruit film bestaat (stilstaande frames) is Paris qui dort ook een meta vertelling over cinema.

Vertov en Paris qui dort[bewerken]

De beroemde filmmaker Dziga Vertov zag in 1926 voor het eerst de film Paris qui dort, en hij vond de film opwindend maar ook schrijnend. Het bleek namelijk dat hij zelf een film had willen maken in dezelfde technische vorm. Maar hij kreeg tot dan toe nooit toestemming om die film te maken.[5] Vertov gebruike technieken die ook in Clairs film naar voren komen als freeze framing, versnelling en vertraging, als een communistisch instrument om de wereld mee te decoderen.[6] Clair heeft door zijn deconstructie van tijd in Paris qui dort een aanzet gegeven voor Vertov’s Sovjet-meesterwerk The man with a movie camera uit 1929.

Bronnen, noten en/of referenties
  1. Paris qui dort. René Clair. (1923) Frankrijk: Films Diamant: producent: Henri Diamant Berger.
  2. Helmut Weihsmann (1997), ‘The City in Twiglight, charting the genre of the ‘City Film’1900 -1930, in: Cinema & Architecture: Méliès, Mallet-Stevens, Multimedia. François Penz & Maureen Thomas (ed.), London: BFI: 17 (of 20).
  3. Annette Michelson (1979) Dr. Crase and Mr. Clair, in: October, Vol 11, Essays in Honor of Tay Leyda, p.48
  4. Annette Michelson (1979) Dr. Crase and Mr. Clair, in: October, Vol 11, Essays in Honor of Tay Leyda, p.39
  5. Annette Michelson (1979) Dr. Crase and Mr. Clair, in: October, Vol 11, Essays in Honor of Tay Leyda, p.32
  6. Annette Michelson (1979) Dr. Crase and Mr. Clair, in: October, Vol 11, Essays in Honor of Tay Leyda, p.52