Relais

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken
Relay2.jpg

Een relais is een door een elektromagneet bediende schakelaar. Het is een eenvoudige doch zeer veelgebruikte component in digitale schakelingen. De laatste decennia hebben elektronische alternatieven zoals de transistor, de thyristor en de triac een grote opmars beleefd. Elektronische relaisschakelingen met deze componenten worden halfgeleiderrelais genoemd. Relais die gebruikt worden om verbruikers zoals elektromotoren te schakelen worden ook magneetschakelaars of contactoren genoemd. In deze gevallen worden er drie fasen geschakeld en wordt er met één stuursignaal drie contacten voor de drie fasen van de motor tegelijk bediend.

Constructie[bewerken]

Relais-symbool

Een relais bestaat uit een elektromagneet, de spoel met hierin een (U-vormige) kern, het anker, een plaatje "weekijzer" dat aangetrokken wordt door de elektromagneet met hieraan bevestigd één of meerdere contacten, één of meerdere vaste contacten en een veermechanisme. Door een passende spanning op de spoel te zetten gaat er een stroom lopen door de elektromagneet en wordt een magnetisch veld opgewekt, waardoor het ijzeren anker aangetrokken wordt en de contacten bediend worden. Valt de spanning weg, dan verdwijnt het magnetisch veld en zorgt het veermechanisme ervoor dat het ijzeren anker met de contacten terugkeert in de oorspronkelijke stand (de onbekrachtigde of ruststand).

Voor het aantrekken van het anker is aanzienlijk meer elektrische energie nodig dan voor het naderhand vasthouden van het anker tegen de kern. Dit wordt veroorzaakt door het overwinnen van de magnetische weerstand van de luchtspleet. Sommige elektronische besturingen verlagen de spanning na bekrachtiging om energie te besparen.

Voor hoge spanningen worden vacuümrelais gebruikt, een spanning van 50 kV heeft dan aan een contactspleet van 1 mm genoeg.

Een relais wordt toegepast om met behulp van een relatief klein elektrisch vermogen een hoge spanning of een grote stroom te kunnen schakelen. Hierbij kunnen de spoel en de contacten deel van twee verschillende elektrische, onderling gescheiden circuits zijn. Dit wordt galvanische scheiding of potentiaalvrij schakelen genoemd en is in toenemende mate van belang omdat de voor het relais toegepaste besturingselektronica gevoelig kan zijn voor geïntroduceerde "vreemde" spanningen en inductie.

Schematisch[bewerken]

Relais.gif

Door een elektrische spanning op de aansluitingen S1 en S2 van de spoel te zetten, zal er door de spoel een stroom gaan lopen, waardoor de U-vormige kern (lichtblauw) gemagnetiseerd wordt. Nu wordt het anker (donkerblauw) naar de kern toe getrokken. Het anker probeert de magnetische kring te optimaliseren. Het magnetisme loopt liever door weekijzer dan door lucht. Aan het anker is een moedercontact C (van Common, gemeenschappelijk) bevestigd wat in rust het bovenste verbreekcontact NC (van Normally Closed, in rust gesloten) raakt en in bekrachtigde toestand het onderste maakcontact NO (van Normally Open, in rust geopend), zo wordt de elektrische verbinding tussen C en NC omgeschakeld naar die tussen C en NO. Als de spanning van de spoel wordt afgehaald, valt het anker af, en blijft in zijn oorspronkelijke positie, tot de spoel opnieuw wordt bekrachtigd. Het eenvoudigste relais heeft alleen een moedercontact (C) en een maak- (NO) of een verbreek- (NC) contact. De meeste relais hebben ten minste één set van drie contacten (moedercontact, maakcontact en verbreekcontact) en er bestaan relais met wel 12 sets contacten.

Voor gelijkspanningsspoelen maakt het niet uit welke polariteit de aangelegde spanning heeft. In sommige relais is echter een vrijloopdiode over de spoel geïntegreerd, waardoor de polariteit wel vastligt. Voor wisselspanningsspoelen maakt de polariteit nooit uit.

Toepassing[bewerken]

Relais worden bijvoorbeeld toegepast om met een microschakelaar een groot elektrisch apparaat in werking te stellen. De microschakelaar hoeft namelijk alleen de stroom en spanning naar de spoel te dragen, niet de grote stroom voor het geschakelde apparaat. De 'klik' in de elektronische thermostaat (van een centrale verwarming) die te horen is als de verwarming aanslaat of uitschakelt, is het (bistabiele) relais.

Het startcircuit van een auto is uitgerust met een relais. De stroom door de startmotor is te groot om enkel met het startslot te schakelen. Ook andere lasten in auto's worden meestal via relais geschakeld, hierbij geldt dat spoel en belasting op dezelfde spanning werken, 12 Vdc voor de personenauto en 24 Vdc voor de vrachtauto.

In bijvoorbeeld buitenlampen met een bewegingsmelder wordt een relais gebruikt dat met een gelijkspanning van 24 V wordt bediend en de netspanning van 230 Vac ten behoeve van de (halogeen) lamp schakelt.

In de vroege computertechniek, elektromechanische telefooncentrales en besturingstechniek werd ook veel gebruikgemaakt van relais. Deze zijn inmiddels veelal vervangen door transistorschakelaars, meestal in de vorm van geïntegreerde schakelingen. Sommige signalen worden echter nog altijd bij voorkeur met relais geschakeld, zoals in kwaliteits audioapparatuur.

Relais zijn ook een belangrijk onderdeel in de spoorstroomloop en de signalering van treinen op baanvakken.

Soorten relais[bewerken]

De normale uitvoering is een monostabiel relais, een relais dat tijdens de bekrachtiging in één stand wordt gehouden, maar zonder bekrachtiging in de ruststand terugspringt. Er bestaan ook bistabiele relais, die in beide standen blijven staan, ook na het wegvallen van de stuurspanning en tristabiele relais, met een extra middenstand waarin alle contacten open zijn.

Relais worden vaak voorzien van elektronische schakelingen om er speciale functies aan te geven. Zo bestaan er relais met een inschakelvertraging en met een afvalvertraging. Relais waar beide mogelijkheden instelbaar zijn worden wel tijdrelais genoemd. Vroeger waren deze voorzien van draairegelaars, tegenwoordig worden ze vaak van digitale (drukknop) instellingen voorzien en zijn daarmee veel nauwkeuriger in het gebruik.

Industriestandaard[bewerken]

De aansluitingen van industriële relais hebben meestal een standaard codering. De spoelaansluitingen worden met A1 en A2 aangeduid. Bij bistabiele typen kan de tweede spoel met A3 (en eventueel A4) zijn aangeduid. Een stuuringang kan met B1 of B2 worden aangegeven. Het eerste wisselcontact met 11, het bijbehorende rustcontact met 12 en het maakcontact met 14. Alle volgende sets hebben nummers die steeds 4 of 10 hoger liggen, dus 15, 16 resp. 18 en 21, 22 resp. 24 enzovoort. Andere coderingen komen echter ook voor: spoelaansluitingen 13 en 14, wisselcontact 9, 10, 11 resp. 12, rustcontact 1, 2, 3 resp. 4 en maakcontact 5, 6, 7 resp. 8, dit geldt voor relais met maximaal 4 contactsets.

Het aantal contacten wordt wel met vier tekens aangegeven, S voor single, D voor dual, P voor pole en T voor throw. Het eenvoudigste relais is SPST (soms ook: 1P1T): één moedercontact en een maak- of verbreekcontact. DPDT duidt op twee omschakelcontacten en 4PST op vier maak- of verbreekcontacten. Een andere codering maakt gebruik van dezelfde twee eerste letters, aangevuld met NO, NC of CO (van Change Over, wisselcontact). Zo ontstaan bijvoorbeeld SPNO (één maakcontact), DPNC (twee verbreekcontacten) en 4PCO (vier wisselcontacten).

De bekrachtigingsspanning is vaak 24 Vdc of 230 Vac. Andere veel voorkomende spanningen zijn: 3, 5, 6, 12, 48 Vdc en 24, 48 en 115 Vac. Aangezien het plotseling onderbreken van de stroom door een spoel hoge spanningspieken en daarmee storende velden kan genereren, moet de spoel voorzien worden van een vrijloopdiode (voor gelijkspanning) of een RC-filter of varistor (voor wisselspanning). Indien deze stroom door een transistor geschakeld wordt, is de vrijloop-diode letterlijk van levensbelang voor die transistor.

Etymologie[bewerken]

Het woord relais houdt verband met het Franse relayer, dat aflossen betekent. Een relais was vanouds een uitspanning, waar de postkoets van nieuwe paarden werd voorzien.

In 1837 werd de telegraaf van Samuel Morse, naar het ontwerp van Joseph Henry uit 1824, aan het publiek gepresenteerd. De daarvoor benodigde infrastructuur bestond uit een draadverbinding met op regelmatige afstanden een toestel om het signaal te versterken. Dit toestel werd ook relais genoemd, en het verschilde niet van het relais dat in dit artikel wordt beschreven.

Een tankstation wordt in Frankrijk door sommige merken ook relais genoemd. Het verband met de oorspronkelijke betekenis is duidelijk. Een wegrestaurant heet ook wel relais.

Wordt een radiosignaal ontvangen en opnieuw uitgezonden (om een grotere afstand te overbruggen of bereik in een dal mogelijk te maken) dan spreekt men van relayeren (zie relaiszender).

Zie ook[bewerken]

Externe link[bewerken]