Rendier in Zuid-Georgia

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken

Het rendier in Zuid-Georgia is een voorbeeld van een diersoort die geïntroduceerd is buiten zijn oorspronkelijk woongebied. Het rendier is een hertachtige dat aangepast is aan het arctisch- en het subarctisch klimaat. Het werd geïntroduceerd op het Subantarctische eiland Zuid-Georgië door Noorse walvisjagers in de vroege 20ste eeuw. De reden voor deze introductie was bedoeld voor vrijetijdsjacht, maar ook als eten voor de vele mensen die werkten op het eiland in de walvisindustrie. Hoewel de mensen sindsdien vertrokken zijn is de rendierpopulatie gebleven. Ze leven in twee geografisch gescheidden kuddes en hun aantal is zodanig gestegen dat ze schade toebrengen aan het milieu, wat zelfs geleid heeft tot de beslissing om hen uit te roeien.

Geschiedenis[bewerken]

Rendier

De eerste introductie vond plaats in 1911 door Carl Anton Larsen en zijn broer. Drie mannetjes en zeven wijfjes uit Hemsedal werden vrijgelaten in de baai Ocean Harbour op het Barffschiereiland aan de noordelijke kust van Zuid-Georgia. Deze kudde groeide uit tot de Barff-kudde en in 1958 telde deze zo’n 3000 dieren. In 1976 was dit aantal wel teruggelopen tot zo’n 1900. Een tweede introductie kwam er in 1912 door de Christian Salvesen Company. Twee mannetjes en drie wijfjes werden vrijgelaten bij Leith Harbour op het Busenschiereiland, ook op de noordelijke kust. Tegen 1918 was de kudde uitgebreid tot 20 dieren, maar deze dieren kwamen nog datzelfde jaar om door een lawine.

In 1925 volgde een derde introductie van drie mannetjes en vier wijfjes in Husvik Harbour. Zij zouden de kern worden van de Busen-kudde en groeiden langzaam tot 40 dieren in 1953 en groeide dan sneller tot 800 dieren begin jaren negentig.

Satellietbeeld van Zuid-Georgia

De Barf-kudde was relatief geïsoleerd voor menselijke toegang en kon dus sneller groeien, hierdoor werd de kudde te groot en was er te weinig voedsel waardoor het aantal terugliep. De Busen-kudde was wel toegankelijker voor de mensen waardoor er regelmatig op gejaagd werd. Nadat de walvisindustrie stopte in de jaren zestig verlieten degenen die hiervan leefden het eiland, dat sindsdien nagenoeg onbewoond is, op een kleine militaire basis na en bezoekende wetenschappers. Er was weinig jacht op de dieren en er was ook geen controle meer. Beide kuddes , die gescheiden werden door gletsjers die stopten in de oceaan, omvatten zo’n 2600 dieren en bezetten 318 km² land, een derde van het begroeide gebied op het eiland waar grazen mogelijk was.

Biologie[bewerken]

De paartijd piekt tussen 20 en 30 maart, waarvan de kalfjes geboren worden in november. Mannetjes worden seksueel volwassen tussen de vier en acht maanden en wijfjes kunnen woor het eerst zwanger worden als ze zestien tot zeventien maanden zijn. De gemiddelde leeftijd van de dieren is 4,2 jaar. Mannetjes kunnen gemiddel 7 tot 8 jaar oud worden, en wijfjes 11 tot 12 jaar. Jaarlijks is er een sterftecijfer van 30 tot 40%. De meeste dieren komen om bij gebrek aan foerageergebied waardoor ze soms van de honger omkomen, een andere factor is dat ze regelmatig van kliffen vallen bij een poging om onbegraasd gebied te bereiken.

Ecologische impact[bewerken]

De populatiedichtheid van het rendier in Zuid-Georgia is over het algemeen veel hoger dan in hun oorspronkelijke woongebied. In Spitsbergen is de dichtheid ongeveer 5/ km² terwijl in Zuid-Georgia deze variëren van 40/ km² tot wel 85/km². De gebieden die bezet worden door de rendieren zijn de meeste begroeiden en biologisch diverse van het eiland. De impact van de dieren zorgde voor overbegrazing van plaatselijke grassoorten, bodemerosie en verlies van biodiversiteit en de verspreiding van invasieve onkruiden, zoals het geïntroduceerde straatgras dat beter tegen begrazing kan dan de oorspronkelijke planten. Door de terugtrekking van de gletsjers als gevolg van het opwarmen van de aarde zou het leefgebied van de dieren waarschijnlijk uitgebreid worden naar andere delen van het eiland. Door de milieuschade die het rendier verzoorzaakt is er in februari 2011 voorgesteld om de kuddes permanent uit te roeien. Om genetisch materiaal van de dieren te bewaren werd in 2001 beslist om 59 kalveren (26 mannetjes en 33 vrouwtjes) over te brengen van de Busen-kudde naar de Falklandeilanden, een andere reden was om daar verscheidenheid te brengen in de landbouw aldaar. Hun eerste nakomelingen werden in 2003 geboren. [1]

Andere introducties[bewerken]

In de jaren veertig werden ook in Argentinië rendieren uitgezet, maar deze werden gedood. Er werden ook acht rendieren getransporteerd vanuit Zuid-Georgia naar een Chileens eiland, maar zeven van de acht dieren overleefden de zeereis niet. De enige andere succesvolle poging vond plaats op de Kerguelen, een Frans territorium in de Indische Oceaan, waar tien rendieren uit Zweeds Lapland werden uitgezet in 1954. In 1970 was de kudde al gegroeid tot 2.000 dieren.

Bronnen, noten en/of referenties