Rijkswet op het Nederlanderschap
| Nederlandse nationaliteit | ||
| De omslag van het paspoort van het Koninkrijk der Nederlanden | ||
| Land | ||
| Land | - - - - |
|
| Wet | Rijkswet op het Nederlanderschap | |
| Erkenning | ||
| Aanduiding | Nederlands(e) | |
| Officiële status | Internationaal erkend | |
| Aantal bezitters | 16.845.171 (2009) | |
De Rijkswet op het Nederlanderschap is een rijkswet die bepaalt wie de Nederlandse nationaliteit krijgt, onder welke voorwaarden het Nederlanderschap kan worden verkregen en hoe het Nederlanderschap verloren gaat. Dit wordt geregeld in een rijkswet conform artikel 3 van het Statuut voor het Koninkrijk der Nederlanden.
De wet trad in werking op 1 januari 1985 ter vervanging van de Wet op het Nederlanderschap en ingezetenschap van 1892. De wet is voor het laatst gewijzigd op 1 januari 2011.
Inhoud |
[bewerken] Achtergrond
De wet bepaalt dat alle ingezetenen van de landen van het Koninkrijk der Nederlanden, te weten Nederland, Aruba, Curaçao en Sint Maarten de Nederlandse nationaliteit hebben. Deze rijkswet is voornamelijk gebaseerd op het principe van Jus sanguinis.
Zo wordt het Nederlands staatsburgerschap in de eerste plaats verleend aan een kind van een Nederlandse ouder, ongeacht de plaats van geboorte. Kinderen van twee buitenlandse ouders, die binnen de grenzen van het Koninkrijk der Nederlanden worden geboren, verwerven de Nederlandse nationaliteit niet bij de geboorte, tenzij bijzondere criteria is voldaan.
De Rijkswet op het Nederlanderschap werd met ingang van 1 april 2003 ingrijpend gewijzigd.
[bewerken] Verkrijging van het Nederlandse staatsburgerschap
Het Nederlanderschap kan worden verkregen van rechtswege of door optieverklaring, maar het kan worden verleend door naturalisatie.
[bewerken] Verkrijging Nederlanderschap van rechtswege
Het Nederlanderschap van rechtswege kan onder meer op de volgende wijzen worden verkregen:
- Door geboorte van een kind van een Nederlander. Een persoon, die geboren is op of na 1 januari 1985 met een getrouwde Nederlandse vader of moeder, of een ongehuwde Nederlandse moeder, is een Nederlander bij de geboorte. Het is irrelevant waar het kind geboren is. Een kind van een ongehuwde Nederlandse vader en een niet-Nederlandse moeder moet worden erkend door de Nederlandse vader voor de geboorte, zodat het kind een Nederlands onderdaan is bij zijn of haar geboorte. Vóór 1 april 2003 kon een bevestiging gegeven worden na de geboorte. Sindsdien kunnen kinderen, die niet vóór de geboorte erkend worden, de Nederlandse nationaliteit verwerven via de optieprocedure of door het verkrijgen van een bewijs van het vaderschap via de rechter. In het laatste geval krijgt het kind de Nederlandse nationaliteit met terugwerkende kracht, sinds zijn of haar geboorte.
- Door adoptie van een kind door een Nederlander
- Een vondeling die binnen het grondgebied van het Koninkrijk der Nederlanden gevonden wordt, wordt aangemerkt als kind van een Nederlander, tenzij binnen vijf jaar na de vondst blijkt dat het kind een andere nationaliteit heeft.
- Door geboorte van een kind in het Koninkrijk der Nederlanden, waarvan de vader of moeder ten tijde van de geboorte in het Koninkrijk woont en waarvan zijn/haar eigen vader of moeder (dus de grootouder van het kind) ten tijde van de geboorte van de vader/moeder ook in het Koninkrijk woonde.
[bewerken] Verkrijging Nederlanderschap door optie
Bepaalde groepen vreemdelingen kunnen door een optieverklaring Nederlander worden. Een optieprocedure duurt aanmerkelijk korter dan een naturalisatie en is ook goedkoper. Net als bij naturalisatie dient de verklaring van verbondenheid te worden afgelegd.
Enkele groepen die voor de optieprocedure in aanmerking komen zijn:
- Meerderjarige vreemdelingen die in het Koninkrijk geboren zijn en daar altijd gewoond hebben
- Vreemdelingen die minimaal 15 jaar legaal in het Koninkrijk verblijven en ten minste drie jaar met een Nederlander getrouwd zijn.
- Vreemdelingen die 65 jaar of ouder zijn en ten minimaal 15 jaar legaal in het Koninkrijk hebben verbleven.
Sinds 1 oktober 2010 kunnen ook vreemdelingen die zijn geboren voor 1 januari 1985 en ten tijde van hun geboorte een Nederlandse moeder en een niet-Nederlandse vader hebben, door optieverklaring Nederlander worden. Deze optiemogelijkheid is ingevoerd omdat de oude Wet op het Nederlanderschap en het ingezetenenschap (Stb 268, 12 december 1892) niet toe stond dat kinderen de Nederlandse nationaliteit verkregen door middel van afkomst van een Nederlandse moeder (via matrilineaire afstamming) en een niet-Nederlandse vader. Alleen als de vader niet bekend was of het kind niet erkende, terwijl het kind een Nederlandse moeder met de Nederlandse nationaliteit had, kon het kind de Nederlandse nationaliteit ontvangen.
Tussen 1 januari 1985 en 31 december 1987 konden kinderen van een Nederlandse moeder en niet-Nederlandse vader, die geboren waren tussen 1 januari 1964 en 1 januari 1985, de optieprocedure te gebruiken om de Nederlandse nationaliteit te verwerven. Hierbij was een voorwaarde gesteld dat de ouders nooit getrouwd waren geweest. Deze mogelijkheid is niet algemeen bekend en velen in deze situatie miste de tijdelijke mogelijkheid om zichzelf of hun kinderen inschrijven als Nederlandse onderdanen [1]
[bewerken] Verlening Nederlanderschap door naturalisatie
Een vreemdeling kan een verzoek tot naturalisatie indienen als de betreffende persoon vijf jaar legaal en onafgebroken in het Koninkrijk der Nederlanden woont of, indien men met een Nederlander is getrouwd (of een geregistreerd partner heeft, of op grond van de relatie een verblijfsvergunning heeft), drie jaar met die Nederlander hebben samengewoond. Verder dient de vreemdeling tot op zekere hoogte kennis te hebben van de Nederlandse taal en ook van de Engelse of Papiamentse taal als de verzoeker in het Caribisch gebied woont. Ook dient de vreemdeling een zekere kennis te hebben van de staatsinrichting en maatschappij. Deze onderdelen worden normaal gesproken getoetst middels een naturalisatietoets, maar er bestaan (gedeeltelijke) vrijstellingen. Als naturalisatietoets voor het Europese deel van Nederland is het inburgeringsexamen aangewezen. Aruba, Curaçao, Sint Maarten en Caribisch Nederland hebben ieder een eigen naturalisatietoets.
[bewerken] Verlies van het Nederlanderschap
Het Nederlanderschap wordt ingetrokken of ontnomen als het Nederlanderschap is verkregen op basis van bedrog of andere valse gegevens. Als een periode van twaalf jaar sinds de toekenning van de Nederlandse nationaliteit is verstreken, kan hierop niet meer worden beroepen. Een uitzondering geldt voor genocide, misdaden tegen de menselijkheid en oorlogsmisdaden. Als de nationaliteit wordt afgenomen, geldt dat met terugwerkende kracht. Als een Nederlander, die naast de Nederlandse ook nog een andere nationaliteit bezit, een misdaad pleegt en veroordeeld is voor minimaal acht jaar gevangenisstraf, wordt ook het Nederlanderschap ontnomen. Deze persoon kan binnen vijf jaar het Nederlanderschap niet meer herkrijgen.
Iemand kan ook het Nederlanderschap verliezen door het vrijwillig aannemen van een andere nationaliteit. Dit gebeurde vijf schaatsers die voor Kazachstan wensten uit te komen tijdens de Olympische Winterspelen in 2010.[2] Een uitzondering geldt voor Nederlanders die met een buitenlander trouwen en de nationaliteit van de echtgenoot aannemen. Ook gaat het Nederlanderschap verloren als er vrijwillig afstand van wordt gedaan.
Het is volgens de Rijkswet niet mogelijk dat iemand het Nederlanderschap wordt ontnomen die geen andere nationaliteit bezit. Een uitzondering geldt voor de gevallen die het Nederlanderschap hebben verkregen op basis van bedrog.
[bewerken] Externe link
Bronnen, noten en/of referenties
|