Himalayagier

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
(Doorverwezen vanaf Sneeuwgier)
Ga naar: navigatie, zoeken
Himalayagier
IUCN-status: Niet bedreigd[1] (2012)
Himalaya vulture (bya rgod ) (2926948182).jpg
Taxonomische indeling
Rijk: Animalia (Dieren)
Stam: Chordata (Chordadieren)
Klasse: Aves (Vogels)
Orde: Accipitriformes
Familie: Accipitridae (havikachtigen)
Geslacht: Gyps (Gieren)
Soort
Gyps himalayensis
Hume, 1869
Verspreidingsgebied
Verspreidingsgebied
Himalayagier op Wikispecies Wikispecies
Portaal  Portaalicoon   Biologie
Vogels

De himalayagier of sneeuwgier (wetenschappelijke naam: Gyps himalayensis) is een roofvogel uit de familie Aegypiinae (gieren van de Oude Wereld). Soms wordt de sneeuwgier als ondersoort van de vale gier (Gyps fulvus) gezien, hoewel beide in dezelfde gebieden naast elkaar voorkomen.

Kenmerken[bewerken]

Juveniel dier in vlucht.

De himalayagier heeft een witte, kale kop en een halskrans van uitstaande, witte veren. De veren over de romp zijn vaal bruin tot beige en contrasteren met de zwarte hand- en armpennen (vliegveren).

De snavel is vaal-geel, de vleugels opvallend lang en de staart opvallend kort. De himalayagier weegt 8 tot 12 kg en heeft een spanwijdte van 260-310 cm. Daarmee is de himalayagier duidelijk groter dan de vale gier.

Levenswijze[bewerken]

De himalayagier is een aaseter. De dieren brengen een groot deel van de dag in de lucht op zoek naar voedsel, waarbij ze aangetrokken worden door de aanwezigheid van kraaien en lammergieren. Meestal zijn ze daarom niet de eerste aaseters die bij een karkas arriveren. Hoewel de himalayagier agressief zijn concurrenten te lijf kan gaan, moet hij soms sterkere dieren, zoals wolven en monniksgieren voor laten gaan. In het noorden van India kan de himalayagier samen met de vale gier of de Indische gier (Gyps indicus) aan hetzelfde kadaver eten.

himalayagieren broeden in kleine kolonies, op kliffen tussen de 1200 en 4200 m hoogte. Bij voorkeur worden oude nesten ingenomen, soms van andere roofvogels. De dieren blijven het nest uitbreiden zolang ze het in gebruik houden. Het broedseizoen is net als bij de vale gier vroeg in het jaar, soms wordt al in december een ei gelegd; op zijn laatst in mei. De himalayagier legt slechts een ei per nest. De jongen kunnen na 6 tot 8 maanden uitvliegen.

In de Tibetaanse cultuur nemen gieren een bijzonder rol in als opruimers van de doden bij zogenaamde luchtbegrafenissen.

Verspreiding en leefgebied[bewerken]

De himalayagier leeft in de hooggebergten van Centraal-Azië: de Himalaya en Karakoram van het noorden van Pakistan tot het westen van China, de Pamir, de Tiensjan en mogelijk de Altaj.

De soort leeft tussen de 1200 en 6000 m hoogte.

Status[bewerken]

De himalayagier heeft een groot verspreidingsgebied en daardoor alleen al is de kans op de status kwetsbaar (voor uitsterven) uiterst gering. De grootte van de populatie is niet gekwantificeerd. Er is geen aanleiding te veronderstellen dat de soort in aantal achteruit gaat. Om deze redenen staat deze gier als niet bedreigd op de Rode Lijst van de IUCN.[1]

Bronnen, noten en/of referenties