Vijfbladige wingerd

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken
Vijfbladige wingerd
TreeVine.JPG
Taxonomische indeling
Rijk: Plantae (Planten)
Stam: Embryophyta (Landplanten)
Klasse: Spermatopsida (Zaadplanten)
Clade: Bedektzadigen
Clade: 'nieuwe' Tweezaadlobbigen
Clade: Rosiden
Orde: Vitales
Familie: Vitaceae (Wijnstokfamilie)
Geslacht: Parthenocissus (Wilde wingerd)
Soort
Parthenocissus quinquefolia
(L.) Planch. (1887)
Portaal  Portaalicoon   Biologie

De vijfbladige wingerd (Parthenocissus quinquefolia) is een plant uit de wijnstokfamilie. De soort komt van nature voor in het oosten van Noord-Amerika.

Kenmerken[bewerken]

De vijfbladige wingerd is een krachtige klimplant die tot een hoogte van 20 à 30 meter kan groeien. Hij houdt zich aan gladde oppervlakken vast met vertakte uitlopertjes waaraan kleverige bolletjes zitten van ongeveer 5 mm. De bladeren zijn samengesteld en bestaan uit 5 blaadjes (een enkele keer 3 bij jongere planten) die aan een centraal punt op de steel vastzitten en van 3 tot 20 cm (een enkele keer zelfs tot 30 cm) groot zijn. De bladeren hebben een gezaagde rand.

Groei[bewerken]

De bloemen zijn klein en groenachtig en bloeien, laat in de lente, in trosjes die, laat in de zomer of vroeg in de herfst, in harde paars-zwarte besjes veranderen van zo'n 5 tot 7 mm in doorsnede. Deze besjes bevatten oxaalzuur, maar dat zuur is nauwelijks giftig voor mensen en andere zoogdieren. De bessen vormen overigens voor vogels een belangrijke voedselbron.[1]

In tuinen en tegen muren[bewerken]

De vijfbladige wingerd wordt gekweekt als een sierplant voor zijn diep Bourgondisch rode bladeren in de herfst. Vaak groeit hij ook over andere bomen. De enige schade die daarbij zou kunnen ontstaan is dat hij te veel schaduw veroorzaakt.

Net als de verwante Oosterse wingerd (Parthenocissus tricuspidata) wordt deze plant veel gekweekt als sier- en klimplant om de gevels van huizen te bedekken. De plant scheidt calciumcarbonaat af, wat als kleefstof dient, zodat hij zich aan een muur kan hechten zonder verdere ondersteuning. Hij dringt niet ín het oppervlak van gebouwen, maar hecht zich er alleen aan vast.[2] Toch kan er schade ontstaaan bij het verwijderen van de plant. Daarom is het goed in dat geval de plant zover te laten verdorren dat hij gemakkelijk loslaat.

Noten[bewerken]

  1. J. Meulenbelt, Behandeling van acute vergiftigingen: praktische richtlijnen, Bohn Stafleu van Loghum, 1996, p. 408
  2. Matthias Scherge, Stanislav Gorb, Stanislav N. Gorb, Biological micro- and nanotribology: nature's solutions, Springer, 2001 p. 94


Externe links[bewerken]