Albert Guérisse

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Portret van Albert Guérisse in het concentratiekamp gemaakt door medegevangene Brian Stonehouse

Graaf Albert Marie Edmond Guérisse (Sint-Jans-Molenbeek, 5 april 1911 - Eigenbrakel, 26 maart 1989) was een Belgisch militair arts en verzetsman.

Familie[bewerken]

Guérisse was de zoon van Eloi Guérisse en Maria Ardies. Hij trouwde in 1936 met Jeanne Mondry (1909-1947) en hertrouwde in 1947 met Sylvia Coopersmith (1921-1985). Uit dit tweede huwelijk had hij een zoon, Patrick Guérisse (1949), die arts werd (inwendige ziekten) en voor nakomelingen zorgde. Ook zijn kleinzoon Fabien Guérisse (1974) is arts voor interne geneeskunde. Zijn andere kleinzoon, Michael Guérisse (1977) is een fashion designer onder de naam Michael Guérisse O'Leary.[1]

Eerste loopbaan[bewerken]

Guérisse behaalde zijn diploma van doctor in de geneeskunde aan de Université Libre de Bruxelles. Hij werd legerarts.

Het was in die hoedanigheid dat hij in 1940 aan de Achttiendaagse Veldtocht deelnam. Hij bevond zich met 300.000 andere Britse en Franse soldaten op het strand van Duinkerken en vluchtte mee naar Engeland.

Patrick O'Leary[bewerken]

Guérisse wilde verder strijden en liet zich aanmonsteren door de Royal Navy. Hij nam een nieuwe naam aan, die van Patrick O'Leary, een Canadese vriend van hem. Na verschillende avonturen werd hij lid van de geheime diensten van de Navy. Hij trok naar Gibraltar, waar hij zich meester maakte van Le Rhin, een Frans schip, door er de Pétaingezinde militairen te overmeesteren. Het schip maakte voortaan deel uit van de Royal Navy en werd voor geheime operaties gebruikt.

Het werd onder meer ingezet om op de Franse kusten Britse piloten of andere militairen op te pikken. Begin maart 1941 liep een opdracht verkeerd af en Guérisse werd gearresteerd. Hij kwam terecht in een interneringskamp niet ver van Marseille. Hij kon ontvluchten en dook onder in Marseille. Hij heette nu Adolphe Cartier. Hij leerde een Engelse arts kennen, Ian Garrow. Samen zetten ze een organisatie op die honderden piloten en andere militairen naar Engeland kon doen terugkeren.

Einde 1941 werd Garrow gearresteerd en Guérisse leidde voortaan alleen de ontsnappingsroute. Het netwerk werd voortaan Pat genoemd.

Concentratiekamp[bewerken]

Op 2 maart 1943 werd Guérisse in Marseille zelf gevangengenomen door de Gestapo, nadat hij was verklikt. Eerst werd hij naar Mauthausen gestuurd, vervolgens naar Natzweiler en ten slotte vanaf september 1944 naar Dachau. Ondanks ondervragingen en martelingen slaagden de Duitsers er niet in zijn echte identiteit te achterhalen. Hij bleef de Canadees Pat O'Leary, Britse onderdaan. Hij werd ter dood veroordeeld maar de executie vond niet plaats.

In april 1945 sloegen een aantal SS-bewakers op de vlucht. Nog voor de geallieerden het kamp bevrijdden, werd Guérisse het hoofd van een internationaal comité dat leiding gaf aan de gevangenen en de geallieerde troepen verwelkomde. Ook de Belg Arthur Haulot maakte deel uit van dit comité.

Naar Korea[bewerken]

Guérisse hernam zijn activiteiten als militair arts, benoemd in het militair hospitaal in Brussel.

In 1951 meldde hij zich als vrijwilliger voor het Koreabataljon. Gedurende dertien maanden leidde hij er de geneeskundige dienst. Bij een reddingsoperatie van een gewonde soldaat, raakte hij zelf zwaar gewond.

Verdere carrière[bewerken]

Terug in België, hernam Guérisse zijn militaire loopbaan.

In 1964 werd hij bevorderd tot generaal-majoor en tot in 1970 had hij de leiding over de geneeskundige diensten van het Belgisch leger.

Eerbetuigingen[bewerken]

Als oorlogsheld werd Guérisse drager van een aanzienlijk aantal eretekens. Hieronder zijn voornamelijk te vermelden:

België vereerde hem uitgebreid in de nationale orden:

In 1981 werd hij in de erfelijke adelstand verheven met de persoonlijke titel van ridder; de 'open brieven' hiervoor werden door hem niet gelicht, zodat de verheffing zonder gevolg bleef. Op 20 maart 1989, zes dagen voor zijn overlijden, volgde een tweede maal verheffing in de erfelijke adelstand, ditmaal met de persoonlijke titel van graaf; deze keer werd de procedure tijdig afgewerkt en leidde de verheffing dus tot werkelijke opname in de Belgische adelstand. Zijn nageslacht heeft sindsdien het recht op de Belgische titels van jonkheer en jonkvrouw. Hij nam als wapenspreuk aan: Honores non quaero, fidelis sum.

In het stadscentrum van Saint-Hubert staat een monument voor Albert Guérisse.

Literatuur[bewerken]

  • Marcel JULIAN, H.M.S. Fidelity, 1956
  • W. UGEUX, Histoires de résistants, Gembloux, 1979, p. 121-144
  • A. CRAHAY, Vingt héros de chez nous 1940-1964, Eigenbrakel/Strombeek-Bever, 1983, p. 303-318
  • Oscar COOMANS DE BRACHENE, État présent de la noblesse belge, annuaire 1990, Brussel, 1990, p. 11
  • Y. W. DELZENNE & J. HOUYOUX, Le nouveau dictionnaire des Belges, T. I; Brussel, 1998
  • Marie-Pierre D'UDEKEM D'ACOZ, Voor koning en vaderland. De Belgische adel in het verzet, Tielt, 2003
  • Humbert DE MARNIX DE SAINTE ALDEGONDE, État présent de la noblesse belge, annuaire 2007, Brussel, 2007

Externe link[bewerken]