Proletariaat

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
(Doorverwezen vanaf Arbeidersklasse)
Ga naar: navigatie, zoeken
Kerstfeest voor het proletariaat in Berlijn, 1923

De arbeidersklasse of het proletariaat (<Lat. proletarius; zie etymologie, hieronder) is de klasse van mensen die voor hun levensonderhoud afhankelijk zijn van de eigen arbeid, die verhandeld wordt op de arbeidsmarkt. Het ontstaan van deze klasse in moderne samenlevingen hangt samen met de opkomst van kapitalisme (vanaf ca. 1500) en vooral de industriële revolutie (vanaf eind 18e eeuw).

Etymologie[bewerken]

De term "proletariër" is afkomstig uit het oude Rome. Daar begon in de 2e eeuw v.Chr. de klasse van bezitslozen, die massaal naar de hoofdstad trokken, schrikbarend toe te nemen (zie artikel: Romeinse Republiek). Omdat er geen grootschalige industrie bestond, moesten deze families leven van allerhande marginale klussen en bij tijden van de gratis brooduitdelingen. Het woord proletarius betekent in het Latijn een man die niets anders bezit dan zijn kinderen (proles).

Geschiedenis[bewerken]

Loonarbeid is een verschijnsel dat al sinds de oudheid bekend is, maar in de meeste voor-moderne samenlevingen was het grootste deel van de bevolking nog gebonden aan het land, hetzij als vrije boer, hetzij als horige, hetzij in enige vorm van slavernij. Het verrichten van arbeid tegen betaling was beperkt tot de steden, waar het een redelijk marginaal verschijnsel was naast de uitoefening van ambachten door vrije handwerkslieden (alleen of in gildeverband).

De opkomst van een grote klasse van vrije loonarbeiders (vrij in de zin van: ongebonden aan de bestaansmiddelen, d.i. de landbouw) deed zich in de vroegmoderne tijd voor in West-Europa. Deze ontwikkeling (proletarisering) ging hand in hand met de verstedelijking en de ontwikkeling van een op winst en markthandel gebaseerde, kapitalistische economische ordening. Een belangrijke ontwikkeling hierin was het proces van enclosure in Engeland (later herhaald in andere landen), waarbij de eertijds gemene gronden in particuliere handen gebracht werden. De boeren die deze grond gebruikten werden van het land gejaagd en afhankelijk gemaakt van de armenzorg, terwijl de voormalige landbouwgrond gebruikt werd voor de lucratieve wolproductie.

Het duurde nog enkele eeuwen voordat de onteigende plattelandsbevolking volledig was getransformeerd in een klasse van arbeiders. De Engelse armenzorg behelsde vaak een vorm van tewerkstelling en op werkloosheid stonden fikse lijfstraffen, maar grootschalige werkgelegenheid kwam pas beschikbaar met de industriële revolutie, vanaf eind 18e eeuw. De fabrieken (aanvankelijk eerder grote werkplaatsen dan machineparken) trokken de proletariërs van het land naar de steden. In Engeland ontstonden nieuwe steden die grotendeels opgetrokken waren uit fabrieken en arbeiderswijken, zoals Manchester; in Frankrijk groeide vooral Parijs explosief.

Gedurende het grootste deel van de negentiende eeuw leefden de nieuwe industriële arbeiders in doorgaans erbarmelijke omstandigheden. Ze werkten lange dagen (een twaalfurige werkdag was geen uitzondering) tegen lage lonen, meestal net genoeg om in leven te blijven, mits de kinderen ook naar de fabriek gingen. Een beweging voor sociale hervorming kwam vanaf de jaren 30 op gang in de vorm van de chartisten, die kiesrecht voor de proletariërs bepleitten, en pogingen om het fabriekswerk van overheidszijde te reguleren. De Engelse Factory Acts van 1847 beperkten de werkdag tot tien uur en perkte de mogelijkheid van kinderarbeid in. Een Nederlandse tegenhanger, het kinderwetje van Van Houten, werd in 1874 ingevoerd.

Vanaf de jaren 1870 verbeterde in de meeste Europese landen de materiële situatie van de arbeiders. In de sociaaldemocratie en de christendemocratie vonden ze een politiek thuis.

Het proletariaat als drager van het socialisme[bewerken]

In de klassieke marxistische theorie is het proletariaat de voornaamste revolutionaire tegenstrever van de bezittende/heersende klasse(n) binnen het kapitalisme. Doel van de proletarische strijd is om het kapitalisme en de "burgerlijke democratie" omver te werpen en te vervangen door een socialistisch economisch en politiek regime.

De opkomst van het proletariaat hangt samen met de Industriële revolutie die in de 18e eeuw begon in Engeland en zich in de 19e eeuw over Europa en Noord-Amerika verspreidde. Het gebruik van machines was voortaan een belangrijk middel om de concurrentie voor te blijven. Machines waren echter zeer kostbaar, waardoor de industrie in handen kwam van een steeds krimpende groep eigenaars, de bourgeoisie. De weinige werktuigen die de armen bezaten werden min of meer waardeloos.

Een ander belangrijk middel in de concurrentiestrijd, als zodanig geïdentificeerd door Adam Smith, is arbeidsdeling: arbeiders maakten niet meer een geheel eindproduct, maar vervulden elk een deelfase van de ontwikkeling van het product. Dit alles had als bedoeling de productie te versnellen met het oog op meer winst.

Het uitgangspunt van de marxistische theorie is dat alleen arbeid waarde voortbrengt, maar dat in het kapitalistische systeem een groot deel van deze waarde, de meerwaarde, aan de kapitalisten ten goede komt. Deze theorie maakt dan ook een scherp onderscheid tussen het proletariaat dat arm is omdat het maar een klein deel van de opbrengst van haar eigen arbeid krijgt en het lompenproletariaat dat geen nuttige arbeid verricht.

Het revolutionaire potentieel van de arbeidersklasse zagen Marx en Engels juist in de organisatorische discipline die arbeiders in de fabrieken aangeleerd werd. Op deze manier zou het kapitalisme uiteindelijk "zijn eigen doodgravers" scheppen: schaalvergroting zou de politieke organisatie van het proletariaat in de kaart spelen en het uiteindelijk in staat stellen het systeem omver te werpen. Hierin onderscheidt het proletariaat zich ook van andere onderdrukte klassen zoals de boeren (zie ook Agrarfrage).

In latere (vooral 20e-eeuwse) versies van het marxisme wordt het beeld van het proletariaat bijgesteld. Voor Lenin, in navolging van Plechanov, was het proletariaat de leidende klasse in een revolutionaire coalitie waar ook andere klassen deel van uitmaakten. In het leninisme en maoïsme worden ook de door imperialistische mogendheden gekoloniseerde volkeren als potentieel revolutionaire subjecten beschouwd. Waar het nationalisme in industriële maatschappijen in navolging van Marx doorgaans werd verworpen als "vals bewustzijn", werd het nationale streven in de derde wereld erkend als legitieme anti-kapitalistische strijd.

Zie ook[bewerken]

Literatuur[bewerken]

Externe link[bewerken]