August Godfried Maris

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Ir A.G. Maris bij de installatie van de Deltacommissie, 1953

August Godfried 'Guus' Maris (Den Haag, 22 oktober 1896 - aldaar, 14 februari 1985)[1] was directeur-generaal van Rijkswaterstaat van 1951 tot 1961. In zijn functie speelde hij een belangrijke rol bij het herstel van de dijken in zuidwest Nederland na de watersnoodramp van 1953 en de ontwikkeling van het Deltaplan. Na zijn pensionering werd hij de eerste voorzitter van de Academische Raad.

Biografie[bewerken | brontekst bewerken]

Maris studeerde civiele techniek aan de Technische Hogeschool in Delft en trad na zijn afstuderen in 1921 in dienst als ingenieur bij Rijkswaterstaat. In 1946 werd hij hoofdingenieur-directeur van Rijkswaterstaat in de provincie Gelderland. In 1951 werd hij directeur-generaal.[1]

Direct na de watersnoodramp van 1953 werd hij benoemd tot voorzitter van de nieuw opgerichte Deltacommissie, die advies moest uitbrengen over maatregelen om een nieuwe ramp te voorkomen.[2] Tijdens zijn periode als directeur-generaal werkte Rijkswaterstaat ook aan andere grote projecten als de verdere drooglegging van het IJsselmeer, de Rijnkanalisatie en de verdere ontwikkeling van het wegennet. Bij zijn pensionering in 1961 werd Maris benoemd tot Commandeur in de Orde van Oranje Nassau.[3] Hij was van 1961 tot 1967 de eerste voorzitter van de Academische Raad.[4]