Australische reuzenskink

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken
Australische reuzenskink
Een exemplaar uit Queensland
Een exemplaar uit Queensland
Taxonomische indeling
Rijk:Animalia (Dieren)
Stam:Chordata (Chordadieren)
Klasse:Reptilia (Reptielen)
Orde:Squamata (Schubreptielen)
Onderorde:Lacertilia (Hagedissen)
Infraorde:Scincomorpha (Skinkachtigen)
Familie:Scincidae (Skinken)
Onderfamilie:Egerniinae
Geslacht:Bellatorias
Soort
Bellatorias major
Gray, 1845
Afbeeldingen Australische reuzenskink op Wikimedia Commons Wikimedia Commons
Portaal  Portaalicoon   Biologie
Herpetologie

De Australische reuzenskink[1] (Bellatorias major) is een hagedis uit de familie skinken (Scincidae).[2]

Naam[bewerken]

De soort werd voor het eerst wetenschappelijk beschreven door John Edward Gray in 1845. Oorspronkelijk werd de naam Tropidolepisma major gebruikt. Later werd de soort tot het geslacht reuzengraafskinken (Egernia) gerekend. De verouderde wetenschappelijke naam Egernia major wordt in de literatuur nog veel gebruikt.

In de Engelse taal wordt vaak de naam 'land mullet' (land-mul) genoemd naar de visachtige structuur van de schubbenhuid. In de Duitse taal wordt verwezen naar de lichaamsgrootte en wordt de hagedis aangeduid met riesen-stachelskink.

Uiterlijke kenmerken[bewerken]

De Australische reuzenskink is een van de grootst bekende skinken, de maximale kopromplengte bedraagt ongeveer 30 centimeter exclusief de staart. De staart is 1,2 keer de lichaamslengte zodat de totale lengte meer dan 70 cm kan bedragen.[3]

De hagedis heeft een dikke hals, een korte kop en gespierde ledematen. Het lichaam is bedekt met glanzende, gladde schubben. De huidkleur van de volwassen dieren is uniform van kleur en is zeer donkerbruin tot zwart aan de bovenzijde van de kop, lichaam en staart, de onderzijde is lichter tot geel of witgeel tot oranje. Juvenielen hebben kleine ronde witte vlekken aan de flanken en hebben een rode snuitpunt en een gele keel. Deze kleurpatronen verdwijnen naarmate de dieren ouder worden.[4]

Levenswijze[bewerken]

Het voedsel van deze terrestrische hagedis bestaat hoofdzakelijk uit plantendelen en paddenstoelen. Daarnaast worden insecten en en kleine gewervelden gegeten. Deze maakt de skink altijd buit in de buurt van een veilige schuilplaats. Het dier neemt vaak een zonnebad op onbegroeide plaatsen.

De skink is eierlevendbarend, er worden geen eieren afgezet maar de jongen komen direct ter wereld. Een legsel bestaat meestal uit 6 jongen, die enige tijd bij het moederdier blijven.

Verspreiding en leefgebied[bewerken]

Deze soort komt endemisch voor in Australië en is aangetroffen in de staten Nieuw-Zuid-Wales en Queensland.[2]

De habitat bestaat uit vochtige wouden en sclerofiele (groenblijvende) bossen. De skink is een bodembewoner die overdag actief is en jaagt in de strooisellaag. Het is een schuwe soort die altijd dicht bij zijn schuilplaats blijft en bij verstoring snel in het struikgewas schiet. De schuilplaats bestaat uit holen, holle houtblokken of tussen de wortels van bomen. In sommige parken zijn de skinken echter aan mensen gewend en kunnen worden benaderd, ze eten de restjes die bezoekers achterlaten.[4]

Bronvermelding[bewerken]