Azovveldtochten

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
(Doorverwezen vanaf Azovcampagnes)
Ga naar: navigatie, zoeken

De Azovveldtochten van 1695 tot 1696 (Russisch: Азовские походы) waren twee veldtochten van het Russische leger tijdens de Tweede Russisch-Turkse Oorlog, die werden geleid door Peter de Grote en waren gericht op het veroveren van het Turkse fort van Azov (met een garnizoen van 7.000 man), die de Russische toegang tot de Zee van Azov en de Zwarte Zee blokkeerde.

Eerste Azovveldtocht[bewerken]

De eerste Azovveldtocht begon in het voorjaar van 1695. Peter de Grote gaf bevel aan zijn leger, met 31.000 man en 170 kanonnen, om op te rukken naar Azov. Het leger omvatte keurregimenten en Don-Kozakken en was onderverdeeld in drie eenheden onder het bevel van Franz Lefort, Patrick Gordon en Avtonom Golovin. Een ander Russisch leger van 120.000 man, dat voornamelijk bestond uit cavalerie, Streltsy en Oekraïense Kozakken), stond onder het bevel van Boris Sjeremetev. Dit leger trok naar de benedenloop van de Dnjepr met als doel het afleiden van de aandacht van het Krimkanaat. Tussen 27 juni en 5 juli blokkeerden de Russische legers de stad volledig van het land. Na twee mislukte aanvallen op 5 augustus en 25 september werd de belegering opgeheven.

Tweede Azovveldtocht[bewerken]

Inname van Azov
(Adriaan Schoonebeek, 1699)

Aan het einde van 1695 bereidden de Russen een tweede veldtocht voor op Azov. Tegen het voorjaar van 1696 hadden ze de Azov Flottielje gevormd. De cavalerie (met tot 70.000 man) werd onder leiding van Sjeremetev opnieuw naar de benedenlopen van de Dnjepr gestuurd. Van 23 april tot 26 april begon de hoofdmacht (75.000 man) onder het bevel van Aleksej Sjein met hun opmars naar Azov over land en over water (de rivieren Voronezj en Don). Peter de Grote en zijn galeivloot trokken naar Azov op 3 mei. Op 27 mei bereikte de Russische vloot, bestaande uit onder andere 2 slagschepen, 4 branders en 23 galeien, onder het bevel van Lefort de zee en blokkeerde Azov. Op 14 juni verscheen de Turkse Vloot, bestaande uit 23 schepen met 4000 man bemanning, aan de monding van de Don. Na een strijd waarbij zij 2 schepen verloor, vertrok ze echter weer. Na massieve bombardementen vanaf land en zee en de verovering van de externe verdedigingswerken van het fort door de Oekraïense en Don-Kozakken op 17 juli, gaf het garnizoen van Azov zich over op 19 juli.

Nasleep[bewerken]

De Azovveldtochten toonden het belang van het bezit van een vloot en vormden het begin van Ruslands ontwikkeling naar een belangrijke zeevarende macht. Door de successen bij Azov werd de Russische onderhandelingspositie versterkt tijdens het Congres van Karlowitz, dat leidde tot de Vrede van Karlowitz (1699) en zorgde voor een goede uitgangspositie bij het tekenen van de Vrede van Constantinopel in 1700. Omdat de haven van Azov niet geschikt bleek voor de militaire vloot, selecteerde de tsaar op 27 juli 1696 een andere plaats, namelijk op de kaap Tagan-Rog. Op 12 september 1698 werd hier Taganrog gesticht, hetgeen de eerste militaire basis werd van de Russische Marine. Beide plaatsen zouden echter als gevolg van de rampzalig verlopen Proetveldtocht tijdens de Derde Russisch-Turkse Oorlog opnieuw in Turkse handen komen.

Hoewel de laatste veldtocht een succes bleek voor de Russen, was het Peter de Grote duidelijk dat hij slechts gedeeltelijke resultaten had bereikt, aangezien de toegang naar de Zwarte Zee niet verzekerd was voordat het hele schiereiland Krim zou zijn veroverd. Voor het weerstaan van de Ottomaanse aanvallen was een reguliere marine vereist en verder waren specialisten nodig die schepen konden bouwen en die militaire schepen konden navigeren. Op 20 oktober 1696 vaardigde de Bojarendoema een decreet uit dat de instelling regelde van een reguliere Keizerlijke Russische Marine. Deze datum wordt gezien als de geboortedag van de Russische Marine. Er werd opdracht gegeven tot de bouw van 52 schepen (later 77) en er werden nieuwe heffingen ingesteld om dit te financieren.

Op 22 november werd een oekaze uitegevaardigd die regelde dat Russische adellijken voor onderwijs naar het buitenland werden gestuurd. Tegelijkertijd vertrok Peter de Grote zelf naar Europa voor zijn "Grote Ambassade".