Beenmergpunctie

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken
Een beenmergpunctienaald met verwijderbare mandrijn

Bij een beenmergpunctie wordt merg uit het bot gehaald. De meest geschikte plaats om dit te doen is de heup (cristapunctie). Daarnaast wordt ook vaak het borstbeen gebruikt (sternumpunctie).

Toepassing[bewerken]

Een beenmergpunctie wordt vooral gebruikt in de diagnostiek van hemato-oncologische aandoeningen, zoals leukemie. Als er na behandeling van leukemie geen afwijkende cellen meer gevonden worden dan is geen verdere behandeling meer nodig en is men op dat moment gezond verklaard. Dit noemt men complete remissie.

Procedure[bewerken]

Het gebied wordt eerst ontsmet (met bijvoorbeeld povidonjodium) en vervolgens wordt het weefsel verdoofd (met lidocaïne). Bot zelf kan niet verdoofd worden, daarom is een beenmergpunctie een pijnlijke procedure. Soms wordt daarom een licht sederend middel gebruikt (bijvoorbeeld midazolam, bekend als het roesje). Meestal wordt tijdens een punctie zowel weefsel opgezogen (aspiraat) en weggeboord (biopt).

De arts steekt eerst een aspiratienaald door het weefsel heen tot het bot wordt bereikt. Vervolgens wordt met draaiende beweging de naald door de harde buitenkant (botcortex) van het bot geduwd. Als de naald het merg heeft bereikt, wordt een spuit aan de naald gezet om weefsel op te zuigen. De naald wordt tijdens het opzuigen bewogen om te zorgen dat er niet te veel bloed in het monster komt.

Vervolgens wordt vaak een biopt genomen. Een grotere naald (een trepaan die lijkt op een heel kleine appelboor) wordt door het weefsel gestoken en vastgezet op de cortex. Vervolgens wordt er met een draaiende beweging een cilindrisch, solide biopt van het merg gemaakt. Samen met de naald wordt het biopt verwijderd.

Na de ingreep moet de patiënt 10-15 minuten op de plek van het biopt liggen, zodat bloeding wordt verminderd door de druk.

Het onderzoek wordt door veel patiënten als onprettig tot zeer ondraaglijk beschreven in verband met de hevige pijn.