Bericht over de pest in Londen

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken

Bericht over de pest in Londen is een hoorspel van Gert Hofmann dat verwijst naar de Pestepidemie in Londen van 1665. Het is een vertaling uit het Duits van het historisch drama Bericht über die Pest in London, erstattet von Bürgern der Stadt, die im Jahre 1665, zwischen Mai und November, daran zugrunde gingen.

Van het genre historisch drama, de classificatie van het Nederlands Instituut voor Beeld en Geluid, wijkt het in zoverre af dat er geen moment twijfel is over verloop en afloop, de feiten zijn immers bekend. De kernvraag is niet wat er gebeurt, maar hoe het gebeurt. Hans-Georg Schede kwalificeert het Duitse origineel daarom als een oratorische vorm van het genre pesthoorspel. Dit ziet hij zowel terug in de titel als in de vorm van het stuk, waarbij vertelling en verslaglegging afgewisseld wordt met lyriek van koren.[1]

Het origineel, geregisseerd door Heinz von Cramer, duurde 87 minuten en werd op 30 oktober 1968 uitgezonden door de Norddeutscher Rundfunk. Hans van Waarsenburg vertaalde het en de NCRV zond het uit op vrijdag 16 april 1971, met zang van Maria Rondel en Donald de Marcas en met medewerking van Marijke Ferguson en Willem Bremer (blokfluiten, kromhoorns, kortholt, serpent, zink, hakkebord, kleine harp & slagwerk). Voor de voorbereiding en de arrangementen stond Marijke Ferguson in. De regisseur was Ab van Eyk. Het hoorspel duurde bijna 78 minuten.

Geluidsdragers[bewerken]

De moederbanden van dit hoorspel zijn gearchiveerd door het Nederlands Instituut voor Beeld en Geluid en daar zijn versies op audio-cd en in WAV- en MP3-formaat beschikbaar.[2]

Rolbezetting[bewerken]

Inhoud[bewerken]

De pest heeft in de literatuur steeds de rol van een noodlot gespeeld, dat als straf opgelegd werd, omdat het kwaad onder de mensen zelf rondwaarde. In dit hoorspel brengt de auteur de samenleving van een hele stad aan het spreken, de koning en de bedelaar, de rijken en de armen. Met de dood voor ogen waren gelijkheid en broederlijkheid evenwel slechts schijn. Wie rijk was, kon voorzorgsmaatregelen treffen om zich aan de gesel Gods te onttrekken, kon zelfs - als morele handlanger - de slagen van de verschrikkelijke knoet op de naamlozen als billijk beschouwen, want wie arm was, moest ook een zondaar zijn.