Pestepidemie in Londen

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken
Bill of Mortality, overlijdensstatistiek voor het jaar 1665

De Grote pestepidemie in Londen (1665-1666) was een enorme uitbarsting van Pest in Engeland die 75.000 tot 100.000 slachtoffers maakte, tot een vijfde van de bevolking van Londen. De ziekte wordt algemeen verondersteld builenpest te zijn geweest, een besmetting door de bacterie Yersinia pestis, die overgebracht wordt via ratten en vlooien. Bekende symptomen van de builenpest komen overeen met de verschijnselen die in verslagen genoemd worden.

De epidemie van 1665-66 was van een veel kleinere omvang dan een vroegere uitbarsting van de "Zwarte Dood", bijvoorbeeld die Europa trof tussen 1347 en 1353, maar leeft in de herinnering voort als de "grote" pestepidemie omdat het één van de laatste wijdverspreide uitbarstingen in Europa was.

Uitbraak[bewerken]

Deze pest-uitbraak in Groot-Brittannië zou met Nederlandse handel aangekomen zijn in de vorm van balen katoen uit Amsterdam. De ziekte was met tussenpozen in Amsterdam sinds 1450 zevenendertig keer voorgekomen, tussen 1652 en 1657 en tussen 1663 en 1666 ieder jaar. De overbevolkte gebieden rond de havens die toen nog niet echt in de stad Londen zelf lagen werden het eerst getroffen door de plaag. Tijdens de winter van 1664-65 waren er meldingen van verscheidene sterfgevallen. Omdat de winter bijzonder koud was hield dat de besmetting in toom. Maar de lente- en de zomermaanden waren ongebruikelijk warm en zonnig en zorgden voor een snelle uitbreiding van de pest. Sterfgevallen van de allerarmsten werden niet goed bijgehouden, maar het eerste geregistreerde geval was een zekere Margaret Porteous op 12 april 1665.

In juli 1665 bereikte de plaag de stad Londen zelf. Koning Karel II, zijn familie en zijn hof verlieten de stad en gingen naar Oxford. De Lord Mayor bleef echter op zijn post evenals de schepenen. Op het hoogtepunt van de uitbraak lag vrijwel alle handel en bedrijf in de stad stil, omdat de rijke handelaars en ambachtslieden waren gevlucht. Slechts een klein aantal geestelijken, artsen en apothekers bleven gedurende die zomer achter in de stad. Artsen trokken door de wijken om de slachtoffers te diagnosticeren en daarna te isoleren, de enige actie die van enig nut was omdat de oorzaak van de pest in het geheel niet begrepen werd.

Bestrijding[bewerken]

Toch werden er wel verscheidene pogingen gedaan. De artsen werden ingehuurd door stadsambtenaren, en de begrafenissen werden zorgvuldig georganiseerd. De autoriteiten gaven opdracht om dag en nacht vuren brandend te houden, in hoop dat de lucht zou worden gereinigd. Stoffen die een sterke geur verspreidden, zoals peper, hop, wierook en nootmuskaat werden ook verbrand om de besmetting af te weren. Bewoners van Londen, ook jonge kinderen, werd sterk aangeraden om tabak te roken (uiteraard zonder het gewenste resultaat).

Hoewel geconcentreerd in Londen verspreidde de pest zich ook naar andere gebieden van het land. Misschien was het beroemdste voorbeeld het dorp Eyam in Derbyshire. De ziekte kwam aan met een bundel doek die vanuit Londen werd verzonden. De dorpelingen legden zichzelf een quarantaine op om de verdere verspreiding van de ziekte tegen te gaan. Verspreiding van de pest in de omgeving werd vertraagd, maar ten koste van de dood van rond 50% van de inwoners.

Uit tellingen blijkt dat de sterfgevallen in Londen eerst tot 1000 personen per week kwamen, toen 2000 personen per week en, tegen september 1665, wel tot 7000 personen per week. Door de vroege herfst begon de epidemie af te nemen tot in het in februari 1666 weer veilig genoeg geacht werd voor de Koning en zijn entourage om terug te keren. Tegen die tijd was de ziekte ook al naar Frankrijk overgeslagen waar hij pas de volgende winter uitstierf.

Brand[bewerken]

Nieuwe pestgevallen bleven in bescheiden aantallen optreden tot september 1666. Op 2 en 3 september vernietigde de Grote Brand van Londen veel van de sterk overbevolkte houten huizen in de woon- en handelswijken van de stad, daarbij zelf 16 sterfgevallen veroorzakend. Deze gebeurtenis lijkt de pestuitbarsting effectief tot staan gebracht te hebben door de vernietiging van de ratten van Londen en hun pest-overbrengende vlooien. Na de brand werd Londen opnieuw opgebouwd volgens een plan van de architect Christopher Wren met bredere straten en een basaal riolerings- en waterafvoersysteem. Rieten daken (die behalve dat ze brandgevaarlijk waren ook een goed onderdak boden aan de ratten) werden verboden binnen de stad (en zijn dat nog: bij de herbouw van het Globe Theatre in 1997 moest een speciale vergunning worden gegeven voor een rieten dak).

Beschrijvingen[bewerken]

Daniel Defoe publiceerde in 1727 een boek: A Journal of the Plague Year, dat, hoewel fictie, een nauwkeurige beschrijving van het rampjaar geeft, mogelijk op basis van dagboeken van een oom van hem. Hij was zelf in 1666 te jong (5 jaar) om er veel eigen herinneringen aan te hebben. Samuel Pepys geeft in zijn beroemde dagboeken wel contemporaine mededelingen over de pest en de brand.

In oktober 2011 is er van de hand van de Nederlandse auteur S. van der Veen een roman verschenen die de pestuitbraak in Londen als thema heeft, en er veel informatie over geeft. De titel luidt "De lijfwacht van Janeway", ISBN 9789055516421