Duwbak Linda

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Duwbak Linda
Datum 7 mei 2004
Instantie Hoge Raad der Nederlanden
Rechters J.B. Fleers, D.H. Beukenhorst, P.C. Kop, E.J. Numann, F.B. Bakels
Adv.-gen. J. Spier
Soort zaak   civiel
Procedure cassatie
Wetgeving 6:162 + 163 BW
Onderwerp   onrechtmatige daad, relativiteit
Vindplaats   NJ 2006/281, m.nt. J. Hijma
ECLI   ECLI:NL:HR:2004:AO6012
Duwboot met 6 duwbakken

Duwbak Linda (HR 7 mei 2004, NJ 2006/281) is een arrest van de Nederlandse Hoge Raad. Het gaat over de relativiteit van het beschermd belang als de Staat wordt aangesproken op onrechtmatige (overheids-)daad.

Aanleiding[bewerken | brontekst bewerken]

In een grintput aan de Maas zijn in april 1993 's nachts een duwbak en een baggerschip gekapseisd. Nog twee schepen liepen schade op. Dit kwam door de slechte staat waarin de "stokoude" duwbak verkeerde. Door ernstig verroesten van de bodemplaten was lekkage opgetreden (zand dat naar buiten lekt en/of water dat naar binnen stroomt).

De duwbak was februari 1992 gekeurd door een deskundige, waarop de Staat een "Certificaat van onderzoek" had afgegeven met een geldigheid van 7 jaar. Het baggerbedrijf stelt de Nederlandse Staat aansprakelijk en ook deskundigen die de keuring hebben verricht. De eis is gebaseerd op onrechtmatige daad: de Staat heeft een certificaat afgegeven in strijd met de eigen regelgeving.

Procesgang[bewerken | brontekst bewerken]

Er zijn verschillende eisers die schade hebben geleden door het ongeval. Aan de andere kant staan de Nederlandse Staat en een aantal betrokken deskundigen die zijn gedagvaard. De vordering van eisers is door de rechtbank afgewezen. Dit vonnis is in hoger beroep door het hof bekrachtigd. Het cassatieberoep is verworpen.

Hoge Raad[bewerken | brontekst bewerken]

De Hoge Raad oordeelt dat niet is voldaan aan het relativiteitsvereiste. Hij oordeelt dat het overtreden veiligheidsreglement (ROSR) de veiligheid van het scheepvaartverkeer in algemene zin wil bevorderen. Dit betekent dat het reglement niet de bescherming van het individueel vermogensbelang van derden, die schade lijden door een onvoldoende zorgvuldig gekeurd schip, als doel heeft. De Hoge Raad wijst erop dat uiteindelijk de eigenaar verantwoordelijk is voor de deugdelijkheid van het schip. Dat de Staat in het algemeen verantwoordelijk is voor een veilig scheepvaartverkeer betekent niet, dat een onbeperkte groep van derden beschermd wordt tegen de schade, die kan ontstaan doordat bij de keuring de onveiligheid van een schip niet is gebleken.

Relevantie[bewerken | brontekst bewerken]

Dit arrest betreft het relativiteitsbeginsel als de Staat wordt aangesproken op onrechtmatige (overheids)daad. Bij aansprakelijkheid van de overheid speelt het relativiteitsbeginsel een grote rol.

Zie ook[bewerken | brontekst bewerken]