Eeneiige tweeling

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken
Een tweeling tijdens de zwangerschap

Een eeneiige (monozygote) tweeling ontstaat doordat er niet, zoals normaal gesproken, een enkel embryo ontstaat uit celdelingen van de bevruchte eicel, maar bij een van de eerste delingen twee losse groepjes cellen ontstaan die ieder uitgroeien tot een apart embryo. In Nederland komt dit in ongeveer 1 op 250 zwangerschappen voor.

DNA[bewerken]

Het verschijnsel dat uit een bevruchte eicel meerdere embryo's ontstaan heet polyembryonie. Omdat het DNA van de embryo's precies gelijk is, doordat ze uit dezelfde bevruchte eicel komen, zijn deze individuen genetisch identiek aan elkaar. De twee personen van een eeneiige tweeling zijn dus ook vrijwel altijd van hetzelfde geslacht. Toch komt het in zeer uitzonderlijke gevallen voor dat een eeneiige tweeling van verschillend geslacht is. Meestal is dit het gevolg van de oneven splitsing van een zygote met het syndroom van Klinefelter (XXY). In zeldzame gevallen (0.8 per 1 miljoen tweelingzwangerschappen) resulteert dit in tweelingen van wie een van de individuen een man is met een X- en een Y-chromosoom en de ander een vrouw met maar één X-chromosoom (XO) en dus lijdt aan het syndroom van Turner.

Het uiterlijk is hetzelfde, hoewel gespiegeld ook voorkomt. Dit komt regelmatig voor. Denk hierbij aan een bepaald kenmerk dat bij het ene kind links zit en bij het andere kind rechts. Bijvoorbeeld een kruin. Ook kan het voorkomen dat het ene kind linkshandig is en het andere rechtshandig. In extremere gevallen zijn zelfs de organen gespiegeld. Hierbij wijst de punt van het hart bij het ene kind gewoon naar links terwijl het bij het andere kind naar rechts wijst. Ook lever en andere organen zijn dan gespiegeld.

Identiek[bewerken]

Een eeneiige tweeling wordt vaak een identieke tweeling genoemd. Dit is eigenlijk een incorrecte benaming. De tweeling is namelijk nooit geheel identiek. Het DNA misschien wel maar door de invloed van de omgeving ontstaan er verschillen. Zo kan het ene kind bijvoorbeeld dikker zijn dan het andere of kunnen er groeiverschillen zijn.

Vlak na de geboorte is vaak een individu van de tweeling groter dan de ander. Dit kan komen door verschil in voedselopname in de baarmoeder of gebrek aan ruimte. Vaak wordt de groeiachterstand in de loop van de tijd wel ingehaald. Eveneens is het mogelijk dat bij een eeneiige tweeling een van de twee een aangeboren afwijking heeft, terwijl de ander daar geen last van heeft. Dit heeft dan niets te maken met het genetisch materiaal, maar puur met de individuele ontwikkeling van het embryo.

Placenta[bewerken]

In ruim 20% van de gevallen heeft een monozygote tweeling een dichoriale placenta. Dit wil zeggen dat elke baby zijn of haar eigen placenta deel heeft. Dichoriniciteit betekent een betere prognose voor de tweeling. Het is afhankelijk van het tijdstip van de splitsing van de tweeling hoe de placenta en de vruchtzak er uit gaan zien. Ongeveer een derde van de monozygote tweelingen splitst zich voor de vierde of vijfde dag. In dit geval ontstaat een dichoriale diamniotische tweeling (net zoals bij alle twee-eiige tweelingen het geval is). Wanneer de splitsing tussen de vierde en tiende dag plaatsvindt ontstaat een monochoriale diamniotische tweeling (het meest voorkomend). Dit wil zeggen: een tweeling die één placenta deelt maar de kinderen bevinden zich in aparte vruchtzakken (diamniotisch; twee vruchtzakken). Een splitsing na de tiende dag is zeldzaam en resulteert ook in één gemeenschappelijk placenta en één vruchtzak. In extreme gevallen zijn de kinderen deels vergroeid, ook wel bekend als Siamese tweeling.

Zie ook[bewerken]