Elise van Calcar

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Elise van Calcar
Van Calcar (portret door J.H. Sikemeijer)
Van Calcar (portret door J.H. Sikemeijer)
Algemene informatie
Volledige naam Eliza Carolina Ferdinanda Fleischacker
Geboren 19 november 1822
Geboorteplaats Amsterdam
Overleden 13 juli 1904
Overlijdensplaats Den Haag
Land Vlag van Nederland Nederland
Dbnl-profiel
Portaal  Portaalicoon   Literatuur
Politiek
Nederland

Elise van Calcar-Schiotling, geboren als Eliza Carolina Ferdinanda Fleischacker, (Amsterdam, 19 november 1822Den Haag, 13 juli 1904) was een Nederlandse schrijfster, publiciste, pedagoge en feministe. Ze kreeg bij haar geboorte de familienaam van haar moeder, de Poolse Anna Carolina Fleisch Haker (later veranderd in Fleischacker). In 1828, toen Elise vijf was, werd die naam gewijzigd in de naam van haar vermoedelijke vader, de Noorse Johannes Schiotling die zijn brood verdiende met vertaalwerk.

Zij werkte als onderwijzeres en gouvernante. Zij gaf ook cursussen aan onderwijzeressen en richtte in 1863 het tijdschrift De Hoop der Toekomst op waarin de opvattingen van de Duitse pedagoog Friedrich Fröbel werden uitgedragen. Ook gaf zij in Felix Meritis in Amsterdam een reeks openbare lezingen over Fröbels methode.

Elise van Calcar trouwde in 1853 met Herman Carel van Calcar, fabriekseigenaar, huisleraar en later burgemeester van Wassenaar. Het huwelijk bleef kinderloos. Zij leidde in Wassenaar het Nederlands Opvoedingshuis (1866-1873). Ze schreef onder pseudoniemen E., Elise, en E.S. -g[1].

In De dubbele roeping der vrouw (Amsterdam 1872) pleitte zij voor onderwijs voor vrouwen. Vanaf 1877 gaf zij het spirituele tijdschrift Op de Grenzen van Twee Werelden uit. In haar verhalenbundel Uit verre landen en van nabij (1850)[2] komt een opmerkelijke vertelling over Suriname voor.

Leven[bewerken]

Jeugd[bewerken]

Elise genoot een lastige opvoeding. Ze kwam ter wereld als een onecht en enig kind en toen haar moeder hertrouwde werd het gezin in financiële moeilijkheden gebracht omdat haar stiefvader niet met geld kon omgaan. Zelf had Elise moeite met het onder de knie krijgen van het alfabet waardoor haar eerste schooljaren moeizaam verliepen. Daarbij had ze een zwakke gezondheid. Van 1832 tot 1836 woonde ze in Barneveld waar haar moeder als gebedsgenezeres werkte. Haar grootste wens was onderwijzeres te worden en nadat haar moeder een spel had bedacht begreep ze het alfabet en ging haar geestelijke ontwikkeling vooruit. Ze las veel boeken, sterk aangemoedigd door haar vader, en slaagde op zestienjarige leeftijd voor het examen secondante (hulponderwijzeres). In dit proces maakte ze onder meer kennis met evangelisch-spiritualistische auteurs zoals Emanuel Swedenborg. Door haar zwakke gezondheid was zij echter niet in staat hele dagen les te geven waardoor zij een andere baan moest zoeken. Uiteindelijk werd ze gouvernante bij een adellijke familie.

In deze periode begon ze steeds meer te twijfelen aan haar Nederlands Hervormde geloof en begon zich te interesseren in de Afscheiding. Vervolgend raakte ze verzeild in het geloof van het Réveil waar ze bewondering opdeed voor een van de voormannen Isaac da Costa die haar stimuleerde zich volledig aan het schrijven te wijden.[1][3]

Schrijfster[bewerken]

Vanaf het jaar 1842 publiceerde Elise voornamelijk verhalen voor kinderen en poëzie. Na het aansporen van da Costa begon zij zich meer te focussen op literaire werken waarna zijn in 1850 haar tendensroman Hermine schreef die zich afzette tegen dogmatische woordenstrijd die zo overheersend was in het dagelijks kerkelijk leven. In 1852 won ze een prijsvraag van de Maatschappij tot Nut van ’t Algemeen waarvoor zij een betoog schreef genaamd De behandeling van dienstbaren. Dankzij Réveilpredikant O.G. Heldring leerde ze in 1852 Herman van Calcar kennen die op dat moment huisleraar was bij de familie Ledeboer in Tilburg. Ze trouwden een jaar later en vertrokken naar Leur bij Breda waar van Calcar een steenfabriek had gekocht. Helaas was dit een weinig rendabele business waardoor het echtpaar voornamelijk moest leven van de boeken van Elise. Ze publiceerde in korte tijd de historische roman Eene star in den nacht en de eigentijdse roman Evangeline, het vrouwelijke leven. In het laatste boek pleitte zij voor een beter onderwijs voor vrouwen en het werk werd al snel herdrukt. Ze vond dat alleen als de vrouw een hogere ontwikkeling genoot zij pas goed kon functioneren als moeder én als vrouw. Haar schrijfsters carrière bestaat grotendeels uit vier perioden: van 1842 tot 1858 schreef ze literair werk, van 1858 tot 1865 publiceerde ze over onderwijs en opvoeding, van 1865 tot 1873 pleitte ze voor feministische doeleinden en van 1873 tot 1898 schreef ze over spiritualisme.[3][1] 

Opvoeding[bewerken]

In 1858 begon Elise zich in te zetten voor een goede opvoeding van kinderen. Dit kwam voornamelijk doordat zij via O.G. Heldring in aanraking kwam met Bertha von Marenholtz, een leerlinge van de Duitse pedagoog Friedrich Fröbel. Vooral het idee dat het een taak van alle vrouwen, niet alleen moeders, was om de eerste ontwikkelingen van het kind tot stand te brengen sprak haar erg aan. Om dit te bewerkstelligen moesten alle vrouwen een hogere opleiding volgen. Ze besloot een Nederlandse propagandiste te worden voor de pedagogische ideeën van Fröbel en in 1860 baarde ze opzien met een reeks openbare voordrachten die de ontwikkelingen van jonge kinderen en de manier waarop een kindertuin die kon stimuleren besproken. Hiermee werd ze de eerste vrouw in Nederland die in het openbaar ideeën propageerde. Hierna begonnen ze cursussen aan onderwijzeressen te geven en richtte ze het tijdschrift De Hoop der Toekomst op die de methode Fröbel als leidraad nam. Ze ging er met Fröbel van uit dat de opvoeders de individualiteit van het kind centraal moesten stellen omdat God alles al in de natuur van het kind had gelegd. Minister J.R. Thorbecke was overtuigd van haar ideeën en zag de noodzaak het bewaarschoolonderwijs te vernieuwen. In 1864 benoemde hij Elise tot onderwijsinspectrice, een post die ze maar kort kon vervullen door gezondheidsredenen. In 1865 richtte ze het Nederlandsch Opvoedingshuis in Leiden en later in Wassenaar op, waar haar man burgemeester was. Dit was voornamelijk een modelopleidingsinstituut voor meisjes uit de hogere klasse. Het instituut was genoodzaakt al te sluiten in 1873 wegens een gebrek aan personeel, geld en een teruglopend leerlingenaantal. In datzelfde jaar werd haar werk De dubbele roeping er vrouw bekroond door de Vereeniging ter Bevordering van Fabrijk- en Handwerksnijverheid waarin Elise waarschuwde voor een te eenzijdige intellectuele ontwikkeling van vrouwen. Ze pleitte voor een meisjesopvoeding in methode Fröbel die ‘vrouwelijke’ beroepen verder moesten ontwikkelen zodat vrouwen beter voorbereid waren op het huwelijk en het moederschap.[4][3][1] 

Feminisme en Spiritisme[bewerken]

In 1878 nam Elise deel aan een internationaal feministisch congres in Parijs. Hier sprak ze over de ideeën van Fröbel en ontkrachtte ze de beschuldigingen dat diens methode de scholen transformeerde in fabrieken. Ze verklaarde in 1879 tegen een socialistische revolutie te zijn maar pleitte voor een ‘gematigde hervorming der maatschappij’. Hierbij was een staatsbemoeiing ter bevordering van de maatschappij een noodzaak. Het jaar daarop publiceerde ze een biografie van Fröbel die is uitgebracht in meerdere talen. Elise verwachtte vooral van de vrouwenbewegingen dat de vrouwelijke aard werd gerespecteerd. Ze schreef hierover een hoofdstuk genaamd ‘Holland’ in het boek over de Europese vrouwenbeweging van Theodore Stanton The Woman in question in Europe. Nadat Elise en Herman naar Den Haag waren verhuisd begon ze een modelkleuterschool in hun woning en gaf ze cursussen aan jonge moeders.[5][3][1]

Halverwege de jaren 70 begon Elise zich steeds meer te interesseren in de Christelijke spiritistische beweging. Ze betrad een leidende rol en gaf vanaf 1877 het spiritistische tijdschrift Op de Grenzen van Twee Werelden uit. Hierin wilde ze voornamelijk de mens als geestelijk wezen bestuderen en werden meer dan de helft van de stukken door haarzelf geschreven.[6] In deze periode publiceerde ze een brochure tegen dominee Sytze F.W. Roorda van Eysinga, de broer van de beroemde spiritist Sikko Ernest Willem Roorda van Eysinga, genaamd Wat is er vóór, wat tegen de Reïncarnatie-leer aan te voeren.  Ze bleef ze zich tegelijkertijd ook inzetten voor de rechten en opvoeding van vrouwen en schreef ze onder andere vanaf het eerste nummer in 1870 in het tijdschrift Onze Roeping van Betsy Perk. Elise werd ook nog verzocht door Wilhemina Drucker om mee te werken aan haar blad Evolutie. De verschillen in opvattingen bleken echter te groot voor een intensieve samenwerking. Drucker verwachtte niks van het individu en zag godsdienst als een valkuil voor het verbeteren van de rechten van de vrouw. Van Calcar achtte daarbij Drucker’s economische hervormingen nutteloos en zag de volkomen gelijkstelling van man en vrouw als een misvatting.

Tijdens het laatste en druk bezochte congres van de Nationale Tentoonstelling van Vrouwenarbeid in 1898 sprak de 75-jarige Elise van Calcar over de taak van opvoedsters en moeders. Aan het einde van haar toespraak werd ze gehonoreerd als pionierster van het vrouwenrecht. In 1904 overleed Elise aan een beroerte.[3][1]

Werken[bewerken]

Nederlandse fictie over Suriname: Illustratie uit het verhaal 'De jonge boschneger' van Elise van Calcar, uit de bundel jeugdverhalen Uit verre landen en van nabij (1850).
  • Belofte maakt schuld. Een nieuw geschenkje (1848)
  • Vertellingen van de oude tante Christine (1848)
  • De jonge boschneger (1850)
  • Blikken in het rond, naar binnen en naar boven (1850)
  • Uit verre landen en van nabij (1850)
  • Hermine (1850)
  • Feestklanken en lijdenstoonen (1852)
  • Eene star in den nacht (1853)
  • Snippers uit de portefeuille van Tante Elise (1853)
  • Evangeline (1854)
  • De zoon van den klepperman (1854-1855)
  • Fantasmagoriën (1855)
  • Moeders ABC-boekje. Wat lekkers uit keuken en tuin (1856)
  • De dertiende (3 dln., 1857)
  • Johan Steven van Calcar (1862)
  • Kinderen der eeuw (1872 - 1873)
  • Uit het leven voor het leven (2 dln., 1875 - 1876)
  • De dubbele roeping der vrouw (1873)
  • Tweemaal verdronken (1877)
  • Op de grenzen van twee werelden (29 dln., 1877 - 1905)
  • Eigen meester blijven (1878)
  • Emanuel Swedenborg, de ziener (1882)
  • De Eedgenooten (1888)
  • Tweede Pinksterdag (1891)
  • Vruchten van het gezaaide (1892)
  • Bertha van Marenholz (1893)

Externe links[bewerken]