Frans Masereel

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken
"Das Füllhorn" (De hoorn des overvloeds) van Frans Masereel
Frans Masereel in zijn atelier (door Jules De Bruycker)
Kunstveiling Amsterdam 1958, met werk van Masereel

Frans Laurent Wilhemina Adolf Lodewijk Masereel (Blankenberge, 31 juli 1889Avignon, 3 januari 1972) was een Vlaamse graficus, houtsnijder, kunstschilder en tekenaar. Hij wordt beschouwd als de belangrijkste houtsnijder en graficus uit de twintigste eeuw.

HIj gaf in zijn houtsneden zijn eigen visie en zijn verzet weer op het moderne leven in de grote steden tijdens de eerste helft van de twintigste eeuw. Zijn houtsneden zijn een aanklacht tegen de uitbuiting van de gewone mens. Stefan Zweig gaf over hem de uitspraak: "Wanneer alles ten gronde zou gaan; alle boeken, monumenten, foto's en verslagen en er bleven slechts de houtsneden die Masereel gedurende tien jaar geschapen heeft gespaard, dan zou men alleen daaruit onze hele hedendaagse wereld kunnen herbouwen."

Biografie[bewerken]

Masereel wordt geboren in Blankenberge, aan de Belgische kust, waar zijn welgestelde Gentse ouders, Frans Masereel en Louisa Vandekerckhove, elk jaar een à twee maanden verblijven. Hij krijgt zijn academische opleiding "tekenen" (aan de Koninklijke Academie voor Schone Kunsten) te Gent o.a. bij de schilder Jean Delvin. Hier leert hij Jozef Cantré kennen, die een vriend voor het leven zou worden. Na de lesuren op de Academie maakt hij, via zijn stiefvader Louis Lava, kennis met de non-conformistische en armoedige graveerder Jules De Bruycker, die een sterke invloed heeft gehad op zijn artistieke evolutie. Hij leert er de techniek van het etsen. Trouwens De Bruycker heeft, in zijn atelier in het Patershol, vaak een portret getekend of geschilderd van Masereel.

In 1908 ontsnapt hij aan de dienstplicht door zich vrij te loten met een hoog nummer. Hij wordt hierdoor automatisch ingedeeld bij de "Garde Civique", een afdeling van de Gentse burgerwacht.

Hij reist veel en gaat in 1908 naar Engeland en Duitsland. Hij komt een eerste maal in Parijs in 1909 en schetst er de bedelaars. Hij zwerft gedurende enkele maanden rond in Tunesië, samen met zijn vriendin Pauline Imhoff. In december 1911 gaat hij in Parijs wonen. Het is een tijd van studie, zoeken en proberen, en tekenen zonder stoppen. In 1912 neemt hij een eerste maal deel aan het 28ste Salon des Indépendants met drie tekeningen. Hier maakt hij kennis met Henri Guilbeaux, de uitgever van het invloedrijk satirisch en anarchistisch tijdschrift "L'Assiette au Beure". Zijn tekeningen voor dit tijdschrift worden niet aanvaard, maar Guilbeaux geeft hem het advies opnieuw te exposeren op het volgende Salon des Indépendants. Dit lokt een lovende kritiek uit in het dagblad "La Flandre Libérale" van 3 april 1913. Ook enkele Parijs kranten hebben niet alleen zijn talent opgemerkt, maar ook zijn sociale bewogenheid. Masereel slaagt er nu in enkele spotprenten te publiceren in het weekblad Les Hommes du Jour van 17 mei 1913. Dit tijdschrift publiceert in de volgende maanden nog meer tekeningen van Masereel. Hij legt zich toe op tekeningen, aquarellen en grafische kunsten en komt toevallig in aanraking met de kunst der houtsnede, geïntrigeerd door de laat-middeleeuwse "blokboeken" en de vele houtsneden van Albrecht Dürer. Hij leert de eerste beginselen van de houtsnijkunst via een zekere Quatreboeufs, een vriend van de graveur Bernard Naudin.

Als de Eerste Wereldoorlog uitbreekt, keert hij terug naar België. Begin september 1914 maakt hij nog enkele tekeningen van de verwoestingen in Dendermonde door het oprukkend Duitse leger. Hij moet dan begin oktober 1914 vluchten vanuit Gent, dat op het punt staat te vallen voor het Duitse leger. Via Duinkerke bereikt hij Parijs. HIj ontmoet er opnieuw de internationalist Guilbeaux. Masereel vertolkt zijn afschuw voor de gruwelen van de oorlog met een twintigtal tekeningen in het tijdschrift "La Grande Guerre par les Artistes". Hij laat zich overhalen tot nationalistische tekeningen in het boek van "La Belgique envahi" van de Belgische journalist Roland de Marès. Dit is de enige maal dat hij zich hiertoe leent en hij keert zich hierna af van dit kortzichtig patriottisme van de grote massa. Guilbeaux, die inmiddels in het Zwitserse Genève verbonden is aan het Krijgsgevangenenbureau van het Internationaal Comité van het Rode Kruis, stuurt in 1915 een officiële uitnodiging naar Masereel in Parijs om te komen werken voor het Rode Kruis. Masereel kon immers nu elk ogenblik opgeroepen worden als lid van de burgerwacht. Hij wordt er bij het Rode Kruis onbezoldigd tewerkgesteld als vertaler naar het Frans van Vlaamse en Duitse brieven met vragen om inlichtingen over krijgsgevangen zonen. Al dit leed versterkt nog zijn pacifisme. Hij kent armoede en moet allerlei bijbaantjes aanvaarden, zelfs als kelner. Franse pacifisten werden in Zwitserland als defaitisten beschouwd en konden op weinig sympathie rekenen. In oktober 1916 wordt hij de vaste illustrator van het pacifistisch maandblad "Les Tablettes" van zijn vriend Jean Salives. Zijn tekening "Assez ǃ" is een striemende aanklacht tegen de honderduizenden doden in de offensieven die in die tijd plaats vonden. Het maandblad hield op te bestaan begin 1919.

"Les Tablettes" januari 1919

Masereel debuteert met anti-oorlogsalbums met linoleumsneden: Les morts parlent en Debout les morts (1917).

Hij sluit in Genève een hechte vriendschap met de militante Franse pacifist Romain Rolland (Nobelprijs literatuur in 1916 met zijn boekenreeks Jean Christophe) en met Stefan Zweig, wiens boeken hij illustreert.

In 1917 publiceert hij 57 houtsneden ter illustratie van "Quinze Poèmes" van de franstalige Vlaamse symbolist Emile Verhaeren, voor wie hij grote bewondering had. In hetzelfde jaar werd hij illustrator van het pacifistisch blad "La Feuille" van de hoofdredacteur Jean Debrit. Het karig inkomen die dit oplevert is meer dan welkom. Hij houdt deze dagelijkse bijdragen met een kleine duizend tekeningen in Oost-Indische inkt drie jaar vol. Hij probeert er met zijn tekeningen de hypocrisie en het cynisme van de officiële instanties aan beide zijden van de oorlog te ontkrachten en de verschrikkingen van de oorlog in beeld te brengen. Dit levert hem negatieve commentaar vanuit Frankrijk en Zwitserland. Hij wordt dan in 1917 vermeld in het register van de Zwitserse vreemdelingenpolitie als een Belgische dienstweigeraar. Zweig noemde deze zwart-witprenten "het onvergankelijke grafische monument voor de oorlog, [...] die wat kracht en woede betreft zelfs niet achterblijven bij Goya's Desastres de la guerra."[1]

In 1918 geeft hij in eigen beheer zijn eerste beeldroman (houtsnedensuite zonder tekst) uit :"25 Images de La Passion d'un Homme" . Het bestaat uit 25 houtsneden die een dramatische aanklacht vormen tegen de uitbuiting en de onmenselijke leefomstandigheden van de arbeiders in de textielfabrieken rond Gent, waarvan hij getuige was geweest in zijn jeugd. Hij geeft dit weer aan de hand van de evolutie van een kleine jongen, verstoten door zijn moeder, die opgroeit tot revolutionair en tenslotte sneuvelt. Masereel beleeft met deze beeldroman zijn grote doorbraak. Beelden uit deze reeks worden nog tientallen jaren gebruikt op allerhande affiches en publicaties van arbeidersbewegingen. In oktober 1918 wordt hij zwaar ziek, waarschijnlijk een gevolg van de epidemie van de Spaanse griep. Pas op het einde van de maand kan hij herstellen.

In 1919 verschijnt zijn tweede beeldroman "Mon livre d'heures". Het bestaat uit een reeks van 167 kleine houtsneden. Opnieuw klaagt hij de sociale wantoestanden aan, aan de hand van het leven van een jongeman die ingaat tegen de heersende klasse en tenslotte sterft. Maar het is tevens het verhaal van liefde, verdriet en geluk. Opnieuw kent deze beeldroman een groot succes en wordt vanaf 1920 ook verspreid in Duitsland (met meerdere herdrukken), de Verenigde Staten en China. Het boek werd verboden gedurende het nazitijdperk in Duitsland en de houtblokken werden verbrand.

Eveneens in 1919 verschijnt de beeldromen "Le Soleil", een reeks van 63 houtsneden. Het is het symbolisch verhaal van een man die zoekt naar vrijheid en licht, van de duisterste krochten tot naar de zon. Hierbij verbrandt hij bijna en valt terug op de aarde en wordt bespot door zijn medemensen. Masereel poogt in deze beeldroman aan te tonen dat de drang naar vrijheid bij de mens zo sterk tot uiting komt, dat deze vrijheid moeilijk te dragen is. In hetzelfde jaar levert Masereel negen houtsneden voor de novelle Die Mutter van Leonhard Frank.

Masereel maakt in 1919 kennis met de communistische schrijver Henri Barbusse en wordt een vriend van de Duitse grafische kunstenaar George Grosz. Hij verleent zijn medewerking aan de groep "Clarté" en het cultureel tijdschrift "Monde".

De eerste jaren na de oorlog wordt hij door de Belgische regering beschouwd als dienstweigeraar en kan daardoor niet terugkeren naar België. Hij gaat in 1920 weer in Parijs wonen en later in Équihen nabij Boulogne, waar hij woonde op de top van de falaise, vlak bij de zee. Dit vertaalt zich in een aantal kleurrijke schilderijen, aquarellen en talloze tekeningen.

In juli 1921 lanceert Masereel het idee om een film te maken over de massapsychologie en het wilde kapitalisme. Hij kan hiervoor het enthoesiasme opwekken van Rolland die hiervoor een satirische publicatie maakt "La Révolte des Machines ou La Pensée déchainée". Masereel maakt hiervoor een aantal houtsneden en verzorgt de tekstzetting. De uitgeverij Sablier verzorgt deze uitgave in beperkte oplage, maar de boeken verlaten de kelder van de drukkerij Kundig niet. Immers, Rolland die uit eigen zak deze oplage heeft bekostigd, wil geen ruchtbaarheid geven aan deze uitgave vooraleer de cinematografische vertolking ervan verschenen is in de Verenigde Staten. Het verlucht scenario verschijnt pas in 1923 in het tijdschrift Vanity Fair. Masereel moet wachten tot het overlijden van Rolland in 1944 om zijn versie met de houtsneden te kunnen uitgeven in 1947 door de uitgeverij (en kunsthandelaar) Pierre Vorms.

In deze jaren twintig werd hij erg productief. In zijn houtsneden komt ditmaal de menselijke figuur steeds meer op de voorgrond. Hij illustreert boeken van onder andere Emile Verhaeren, Stefan Zweig, Andreas Latzko, Victor Hugo, Tolstoi, Thomas Mann, Oscar Wilde en Hemingway. In 1926 maakt hij voor "La Légende d'Ulenspiegel" van Charles de Coster 167 houtsneden. In het boek "La Ville" (1925) (voorwoord van Pieter Jelles Troelstra) legt hij in honderd houtsneden zijn visie vast op het leven in de jaren twintig in de grote stad.

In deze periode neemt Masereel deel aan de ene tentoonstelling na de andere in Europa en Brazilië. Hij onderneemt twee langdurige bezoeken aan de Sovjet-Unie met geslaagde tentoonstellingen. Tussen 1932 en 1950 gaf hij geen tentoonstellingen meer in Duitsland, omdat het naziregime zijn werken had verwijderd en verbrand uit collecties en Duitse bibliotheken. Ze beschouwden hem als een "beeldagitator in joods-marxistische dienst".

In 1937 hielp hij mee, op voorspraak van zijn vriend Henry van de Velde, met de inrichting van het Belgisch paviljoen op de Wereldtentoonstelling in Parijs. Kort daarop ontwierp hij de decors en de kostuums voor de film "Sphinx" van Jean Cocteau en, als vijand van het fascisme, voor het toneelstuk "Furcht und Elend des Dritten Reiches" van Bertold Brecht.

Toen de Tweede Wereldoorlog losbarstte, realiseerde hij anti-nazipamfletten om te laten verspreiden boven de Duitse linies. Hij maakte tekeningen en gravures voor de Franse weerstand gedurende zijn verblijf in Lot-et-Garonne.

Na de Tweede Wereldoorlog verbleef Masereel vanaf 1949 in Avignon en in Nice. Van 1947 tot 1951 was hij leraar aan het Schule für Kunst und Handwerk in Saarbrücken. In 1950 kreeg hij op de Biënnale van Venetië de Grote Prijs van de Grafiek.In 1951 wordt verkozen tot lid van de Koninklijke Academie voor Wetenschappen, Literatuur en Schone Kunsten van België. Vanaf deze tijd wordt hij ook meer en meer gewaardeerd in eigen land. De Deutsche Akademie der Künste nenoemde hem tot lid-correspondent in 1957. De Westfälische Wilhelms-Universität in Münster kende hem in 1962 de Joost van de Vondelprijs toe.

Masereel stelde tentoon in China in Peking, Shanghai en Wuhan, hiertoe uitgenodigd door de "Association du Peuple pour les Relations Culturelles avec l'Etranger".

Hierna werd hij op veel plaatsen gevierd met tentoonstellingen, retrospectieven, en onderscheidingen in Duitsland. In 1969 werd hij doctor honoris causa aan de Humboldt universiteit in Oost-Berlijn. Hij werd ereburger van zijn geboortestad Blankenberge. Hij kreeg in 1971 de Tweejaarlijkse Prijs Achille Van Acker te Brugge.

Masereel wordt samen met Jan-Frans Cantré, Jozef Cantré, Henri Van Straten en Joris Minne gerekend tot 'de Grote Vijf', die de Vlaamse grafische kunst na de Eerste Wereldoorlog nieuw leven inbliezen. De beeldroman waar hij zelf het meest van hield was L'Idée. In 83 houtsneden zien we De idee - even naakt als de waarheid - achtervolgd worden door de politie en de justitie, maar ze leeft, overleeft, bemint en plant zich voort. Dit boek was zeer populair bij de Duitse anti-nazi's.

Masereel zei dat hij in de houtsnede het middel bij uitstek had gevonden dat hij zocht om zijn maatschappijkritiek en zijn pacifisme aan duizenden mensen bekend te maken. In zijn aanklachten probeerde hij hiermee de uitbuiting en de onderdrukking van de gewone mens op het voorplan te plaatsen.

De culturele organisatie Masereelfonds werd naar hem vernoemd. In Kasterlee werd het "Frans Masereel Centrum" opgericht, een atelier voor grafische kunsten voor beursstudenten uit de hele wereld.

Publicaties (selectie)[bewerken]

Beeldverhalen[bewerken]

  • 25 images de la passion d'un homme (1917, 25 pl.); Die Passion eines Menschen (1921)
  • Mon livre d'heures (1918, 167 pl.); Mein Stundenbuch (1921); My Book of Hours (1922); Passionate Journey (1948)
  • Le Soleil (1919, 63 pl.); Die Sonne (1920); The Sun (1990); De Zon (2001, met tekst van Louis Paul Boon)
  • Idée. Sa naissance, sa vie, sa mort (1920, 83 pl.); Die Idee (1924); The Idea (1986)ː opgedragen aan zijn stiefvader Louis Lava
  • Histoire sans paroles (1920, 60 pl.); Geschichte ohne Worte (1922); Story Without Words (1986)
  • Die Stadt / La ville (1925, 100 pl.); The City (1972); La città. Un viaggio appassionato (1979); La ciudad (2009)ː reeks van 100 houtsneden.

Reeksen[bewerken]

  • Debout les morts. Résurrection infernale (1917, 10 pl.)
  • Les morts parlent (1917, 7 pl.)
  • Un fait-divers (1920, 8 pl.)
  • Visions (1921, 8 pl.)
  • Souvenirs de mon pays (1921, 16 pl.)ː opgedragen aan zijn moeder; met herinneringen aan zijn jeugd in Blankenberge waar hij tot 1894 heeft gewoond.
  • Bilder der Grossstadt (1926, 112 pl.)
  • Landschaften und Stimmungen (1929, 60 pl.)
  • Capitale (1935, 66 pl.)
  • Mijn land (1956, 100 pl.); Mon pays (1956); Meine Heimat (1965)

Boekillustraties[bewerken]

Zie ook[bewerken]

Bibliografie[bewerken]

Externe links[bewerken]

Bronnen en noten[bewerken]

  1. Stefan Zweig, De wereld van gisteren, De Arbeiderspers, 1990 [1944], blz. 161