Emile Verhaeren

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken
Théo Van Rysselberghe, Een lezing door Emile Verhaeren (1903).

Emile Verhaeren (Sint-Amands, 21 mei 1855 - Rouen (Frankrijk), 27 november 1916) is een Belgisch, Franstalig auteur, en een van de vertegenwoordigers van de symbolistische stroming. Zijn vader, Henri Verhaeren, was een lakenhandelaar uit Brussel en zijn moeder, Adelaïde De Bock, hield een textielwinkel in Sint-Amands. Thuis wordt er Frans gesproken, zoals gebruikelijk in de betere kringen van die tijd. De jonge Verhaeren loopt zijn lagere school in Sint-Amands. Dit is de enige periode geweest dat hij actief met het Nederlands in contact gekomen is. Hij volgt zijn humaniora in de Franse taal, eerst aan het Institut Saint-Louis te Brussel en vervolgens aan het Collège Sainte-Barbe te Gent, waar hij samen met Georges Rodenbach in de klas zit. Beiden zullen later een literaire carrière uitbouwen. Na zijn humaniora schrijft Verhaeren zich in 1875 in als student in de rechten aan de Katholieke Universiteit van Leuven. Hij schrijft er zijn eerste gedichten en wordt een van de medewerkers van het studentenblad La Semaine des Etudiants. Na zijn studies in de rechten loopt Verhaeren tijdens de jaren 1881-1884 stage bij Edmond Picard in Brussel. Hij laat de advocatuur achter zich om resoluut een literaire carrière uit te bouwen.

Emile Verhaeren is vooral gekend als dichter, maar hij schreef eveneens kortverhalen, een hele reeks kunstkritieken en hij publiceerde ook een aantal toneelstukken. Hij debuteerde in 1883 met Les Flamandes, een bundel geïnspireerd door de uitbundige en soms wellustige taferelen uit de Vlaamse schilderkunst van de 16e en 17e eeuw. Na dit eerder naturalistische debuut volgt in 1886 Les Moines, een bundel die een sfeer van religieus mysticisme uitademt. Van 1888 tot 1891 publiceert Verhaeren zijn zwarte trilogie: Les Soirs (1888), Les Débâcles (1888) en Flambeaux noirs (1891). Deze drie bundels, bibliofiel uitgegeven bij Edmond Deman in Brussel, baden in een sfeer van fin-de-siècle en duister symbolisme en bevatten verschillende gedichten waarin de zwaarmoedigheid en de zelfkwelling zeer present zijn. Het zijn de jaren waarin de immer onrustige Verhaeren aan neurasthenie lijdt. Als kunstcriticus volgt Verhaeren de nieuwste tendensen van zijn tijd. Hij is volledig mee met de symbolistische en neo-impressionistische stroming en geldt als een van de ontdekkers van Fernand Khnopff en James Ensor. Samen met Edmond Picard en Octave Maus behoort hij tot de kernredactie van het tijdschrift 'L'Art moderne'' (1883-1899). In deze jaren is hij bevriend met kunstenaars als Théo van Rysselberghe, Dario de Regoyos, Willy Schlobach, James Ensor, Paul Signac, Maximilien Luce en William Degouve de Nuncques. Op literair vlak moeten de namen van André Gide, Camille Lemonnier, Stéphane Mallarmé, Francis Vielé-Griffin, Maurice Maeterlinck, Georges Eekhoud en Albert Mockel genoemd worden.

Verhaeren is vele jaren een vrijgezel gebleven die volledig opging in zijn schrijversbestaan, maar eind 1889 raakt hij in de ban van de Luikse kunstenares Marthe Massin (1860-1931), die hij in Bornem had leren kennen. Het is liefde op het eerste zicht en in augustus 1891 treden ze te Brussel in het huwelijk. Emile en Marthe Verhaeren zullen hun hele leven samen blijven, maar zij zullen nooit kinderen hebben. Door zijn samenzijn met Marthe Verhaeren verliest de poëzie van Verhaeren zijn donkere, hermetische karakter. In 1893 begint Verhaeren een sociale trilogie met de publicatie van Les Campagnes hallucinées (1893), Les Villes tentaculaires (1895) en Les Aubes (1898). In deze bundels evoceert Verhaeren de neergang van het traditionele platteland en de onstuitbare opmars van de grootstad. Het toneelstuk Les Aubes brengt de sociale utopie en de kracht van de massabeweging in beeld. Verhaeren was een sympathisant van de socialistische beweging en had ook uitgesproken sympathieën voor het anarchisme. De bundel Les Villages illusoires (1895), met daarin het beroemde gedicht Le Passeur d'eau (De Veerman), behoort niet tot deze sociale trilogie, maar sluit er wel bij aan. Eind 1896 verrast Verhaeren de literaire wereld met een bundel liefdesgedichten opgedragen aan Marthe: Les Heures claires.

In 1898 laat Emile Verhaeren de Brusselse hoofdstad achter zich en vestigt zich in Parijs, het artistieke en literaire wereldcentrum van dat moment. Kort daarna verhuist hij naar Saint-Cloud, in de buurt van Parijs. De dichter zal zijn band met België evenwel nooit opgeven: in Woluwe verblijft hij regelmatig bij de kunstenaar Constant Montald en in het landelijke Roisin (Henegouwen) betrekt hij een buitenhuisje in de buurt van Le Caillou-qui-bique. Met zijn oversteek naar Parijs krijgt de literaire carrière van Verhaeren een nieuw elan. Na de publicatie van Les Visages de la vie (1899) affirmeert hij zich verder als vitalistisch dichter met de publicatie van Les Forces tumultueuses (1902), La Multiple splendeur (1906), Les Rythmes souverains (1910), Les Blés mouvants (1912) en het postume Les Flammes hautes (1917). Tevens begint hij de publicatie van Toute la Flandre, een reeks bundels die kunnen gelezen worden als een ode aan het Vlaamse land: Les Tendresses premières (1904), La Guirlande des dunes (1907), Les Héros (1908), Les Villes à pignons (1910) en Les Plaines (1911). In deze jaren wordt de geïdealiseerde liefdespoëzie van Verhaeren voortgezet met Les Heures d'après-midi (1905) en Les Heures du soir (1911). Als kunstcriticus publiceert hij studies over Rembrandt (1904) en Rubens (1910) - de twee grote van de Vlaamse en Hollandse schilderkunst - alsook een omvangrijke monografie over James Ensor (1908). Maar Verhaeren wil ook naam maken als theaterauteur: na Le Cloître (1900) gaat hij verder met Philippe II (1901) en Hélène de Sparte (1912). Het zijn de gloriejaren van Verhaeren. Door de Parijse uitgeverij Mercure de France krijgen zijn bundels een Europese verspreiding. Hij wordt vertaald in de belangrijkste Europese talen (Engels, Duits, Russisch) en maakt literaire tournees door België, Frankrijk, Nederland, Duitsland, Oostenrijk, Zwitserland, Polen en Rusland. Op dat moment is Verhaeren zonder meer een literaire beroemdheid. Het zijn de jaren waarin hij bevriend raakt met Auguste Rodin, Eugène Carrière, Rainer Maria Rilke en Stefan Zweig. Deze laatste ontpopt zich als een onverdroten vertaler van zijn werk en is zijn belangrijkste verdediger in het Duitse taalgebied. Maar ook het Belgische koningshuis laat zich niet onbetuigd: de dichter wordt verschillende keren uitgenodigd bij koning Albert I van België en koningin Elisabeth. Verhaeren krijgt de titel van "nationale dichter" toebedeeld. Met de steun van de Belgische academische en literaire wereld wordt hij zelfs voorgedragen voor de Nobelprijs voor de literatuur.

De Eerste Wereldoorlog is zonder meer een breuk in de literaire ontwikkeling van Verhaeren. Zijn hele cosmopolitische wereldbeeld wordt in duigen geslagen en zijn bewondering voor Duitsland slaat om in haat. Tijdens de eerste dagen van het conflict schaart Verhaeren zich onmiddellijk achter de figuur van koning Albert en de dichter engageert zich om de strijd van het bedreigde België voort te zetten met de pen. Tijdens de oorlogsjaren verblijft Verhaeren eerst in Groot-Brittannië en vanaf maart 1915 keert hij terug naar Frankrijk. Op uitnodiging van koning Albert brengt hij tot twee maal toe een bezoek aan het frontgebied aan de IJzer. In zijn geschriften en gedichten gaat hij heftig te keer tegen de Duitse agressor. De belangrijke werken uit deze jaren zijn: La Belgique sanglante (1915), een bundeling van zijn oorlogsessays, en Les Ailes rouges de la guerre (1916), zijn bundel met oorlogspoëzie. Verhaeren komt op 27 november 1916 om het leven bij een tragisch treinongeval in het station van Rouen. De mythe wil dat Mijn vrouw, mijn vaderland zijn laatste woorden waren.

Portret van Emile Verhaeren (1915) door zijn vriend Théo Van Rysselberghe.

Het stoffelijk overschot van Verhaeren werd aanvankelijk begraven op het kerkhof van Adinkerke. Uit veiligheidsoverwegingen werd het eind 1917 overgebracht naar het kerkhof van Wulveringem. Pas in 1927 kreeg Verhaeren zijn monumentale grafmonument in een bocht aan de Schelde te Sint-Amands. De herinnering aan Verhaeren wordt op verschillende plekken in België levendig gehouden. In de Koninklijke Bibliotheek van België is zijn schrijverskabinet van Saint-Cloud toegankelijk voor het publiek; het Plantin-Moretus Museum te Antwerpen heeft een Verhaeren-kabinet; in de gemeente Honnelles (Roisin) bevindt zich een Espace Verhaeren en in Sint-Amands is er sinds 1955 een Emile Verhaerenmuseum.

De boeken van Emile Verhaeren werden geïllustreerd door talloze kunstenaars. De belangrijkste zijn: Théo Van Rysselberghe, Odilon Redon, George Minne, Leon Spilliaert, Lucien Pissarro, Frans Masereel, Aristide Maillol, Ramah, Constant Montald, Dario de Regoyos, Henri Cassiers, Raoul Dufy, Pierre-Eugène Vibert, Frank Brangwyn en Julien Van Santen. Kunstenaars als Jan Toorop, Anto Carte, Willy Schlobach, Fernand Khnopff en Johan Thorn-Prikker hebben zich in bepaalde van hun werken laten inspireren door zijn gedichten.

De imposante Verhaeren met zijn kenmerkende snor is ook vele malen geschilderd of getekend geweest. De meest frappante portretten zijn van de hand van Théo van Rysselberghe, James Ensor, Georges Lemmen, Leon Spilliaert, Charles Bernier, Armand Rassenfosse, Constant Montald, Louis Hayet, Willy Schlobach, Maximilien Luce, Frans Masereel, Georges Tribout en Marthe Verhaeren. Beeldhouwers als Constantin Meunier, Charles Van der Stappen, Bolesław Biegas, César Schroevens en Ossip Zadkine hebben een buste van hem gemaakt.

Het werk van het Emile Verhaeren is vertaald in 28 talen, waaronder het Engels, het Russisch, het Duits, het Chinees en het Japans. Zijn belangrijkste vertalers in het Nederlands zijn Stefaan van den Bremt, Koen Stassijns, Julien De Mey, Christina Guirlande, Frans Boenders, Benno Barnard, Jan H. Mysjkin, Willem Gijssels en Martien Beversluis.

Lijst van gepubliceerde werken[bewerken]

  • 1883 Les Flamandes Gedichten
  • 1884 Les Contes de minuit Verhalen
  • 1885 Joseph Heymans Kunstkritiek
  • 1886 Les Moines Gedichten
  • 1887 Quelques notes sur l'œuvre de Fernand Khnopff, 1881-1887 Kunstkritiek
  • 1888 Les Soirs Gedichten
  • 1888 Poètes et Prosateurs. Anthologie contemporaine des écrivains français et belges. Gedichten
  • 1888 Les Débâcles Gedichten
  • 1890 Au Bord de la route Gedichten en proza
  • 1891 Les Flambeaux noirs Gedichten
  • 1891 A Robert Picard Gedicht
  • 1891 Les Apparus dans mes chemins Gedichten
  • 1893 Les Campagnes Hallucinées Gedichten
  • 1895 Almanach, later heruitgegeven onder de titel: Les Douze mois Gedichten
  • 1895 Les Villages illusoires Gedichten
  • 1895 Les Villes tentaculaires Gedichten
  • 1896 Les Heures claires Gedichten
  • 1896 Emile Verhaeren 1883-1896. Pour les Amis du Poète Huldiging
  • 1898 Les Aubes Theaterstuk
  • 1899 Les Visages de la vie Gedichten
  • 1899 Petite légende Proza
  • 1899 Les vignes de ma muraille Gedichten
  • 1899 España negra Reisverslag
  • 1900 Le Cloître Theaterstuk
  • 1900 Petites légendes, later heruitgegeven onder de titel: Poèmes légendaires de Flandre et de Brabant Verhalen
  • 1900 Images japonaises Gedichten
  • 1901 Philippe II Theaterstuk
  • 1901 Les petits vieux Gedichten
  • 1902 Les Forces tumultueuses Gedichten
  • 1904 Toute la Flandre - Les Tendresses premières Gedichten
  • 1904 Rembrandt Kunstkritiek
  • 1905 Les Heures d'après-midi Gedichten
  • 1906 La Multiple splendeur Gedichten
  • 1907 Toute la Flandre - La Guirlande des dunes Gedichten
  • 1907 Lettres françaises de Belgique Conferentie
  • 1908 Toute la Flandre - Les Héros Gedichten
  • 1908 James Ensor Kunstkritiek
  • 1910 Toute la Flandre - Les Villes à pignons Gedichten
  • 1910 Les Rythmes souverains Gedichten
  • 1910 Pierre-Paul Rubens Kunstkritiek
  • 1911 Toute la Flandre - Les Plaines Gedichten
  • 1911 Les Heures du soir Gedichten
  • 1912 Les Blés mouvants Gedichten
  • 1912 Hélène de Sparte Theaterstuk
  • 1913 La Culture de l'enthousiasme. Alliance française de Saint-Pétersbourg Conferentie
  • 1914 Ville de Bruxelles. Discours prononcé à la distribution solennelle des prix aux élèves de l'école moyenne C pour filles. 31 juillet 1914 Conferentie
  • 1915 Le Crime allemand Gedicht
  • 1915 La Belgique sanglante Proza
  • 1916 Parmi les Cendres. La Belgique dévastée Proza
  • 1916 Villes meurtries de Belgique. Anvers, Malines et Lierre Proza
  • 1916 Les Ailes rouges de la guerre Gedichten

Postuum verschenen:

  • 1917 An Aesthetic Interpretation of Belgium's Past by Emile Verhaeren. Read by H.E. Paul Hymans, Belgian Minister Studie
  • 1917 Les Flammes hautes Gedichten
  • 1917 Les Paysages disparus Gedichten/Proza

Externe links[bewerken]