Gerrit Jannink (politicus)

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Gerrit Jannink
Onze Afgevaardigden (1905) - Gerrit Jannink.jpg
Geboren Enschede, 25 juli 1865
Overleden 's-Gravenhage, 5 april 1942
Partij Liberale Unie
Religie Hervormd
Functies
1895-1907 lid Provinciale Staten van Overijssel
1896-1907 lid Gedeputeerde Staten van Overijssel
1905-1918 lid Tweede Kamer der Staten-Generaal
1909-1914 lid Staatscommissie-Treub inzake de werkloosheid
1910-1913 ondervoorzitter en lid Staatscommissie-Bos inzake de drinkwatervoorziening
1910-? lid Staatscommissie-Limburg inzake de ouderlijke macht en voogdij
1919-1935 plaatsvervangend lid Centrale Raad van Beroep
Website
Portaal  Portaalicoon   Politiek

Gerrit Jannink (Enschede, 25 juli 1865 - 's-Gravenhage, 5 april 1942) was een liberaal afgevaardigde en advocaat.

Gerrit Jannink was een zoon van de textielfabrikant Benjamin Jannink (Jannink en Ter Kuile) en Antonia Jeanette Reerink, en had twee zussen, een broer en een halfzus. De familie Jannink was nauw gelieerd aan de families Ter Kuile en Van Heek, eveneens textielfabrikanten in Twente. Na het gymnasium in Arnhem ging Jannink rechtsgeleerdheid studeren aan de Rijksuniversiteit Leiden, waar hij in 1890 promoveerde op dissertatie. Vervolgens werd hij advocaat, eerst in Amsterdam, vervolgens in Almelo. Jannink trouwde in 1892 met Amelia Tutertien (1865-1939). Het paar bleef kinderloos.

Van 1895 tot 1907 was hij daarnaast lid van de Provinciale Staten van Overijssel, en vanaf 1896 was hij tevens gedeputeerde. Van 1903 tot 1904 was hij voorzitter van de Vereeniging van Nederlandsche Werkgevers en van 1905 tot 1918 was hij lid van de Tweede Kamer der Staten-Generaal. Daar behoorde hij tot de Liberale Unie en was hij enige jaren secretaris van de LU-Kamerclub. Hij hield zich vooral bezig met volksgezondheid, maar ook met justitie, arbeid en zaken die specifiek over zijn district gingen.

Tijdens zijn Kamerlidmaatschap was hij lid van de Staatscommissie-Treub (werkloosheid), Staatscommissie-Bos (drinkwatervoorziening) en Staatscommissie-Limburg (ouderlijke macht). Vervolgens was hij ondervoorzitter en voorzitter van de Centrale Commissie voor de Drinkwatervoorziening. Na zijn vertrek uit de Kamer, hij stelde zich in 1918 geen kandidaat meer, werd Jannink per 1 januari 1919 benoemd tot plaatsvervangend lid van de Centrale Raad van Beroep.