Hobbit (Tolkien)

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken

Hobbits (Westron: Kuduk) zijn een imaginair volkje, ontsproten aan de fantasie van de Engelse schrijver J.R.R. Tolkien. Het woord hobbit duidde al eerder in het Engels een kabouterachtig wezen aan[1] en is verwant aan het Engelse woord voor kabouter hob of hobgoblin. In het boek De Hobbit en de trilogie In de Ban van de Ring vervullen Hobbits een hoofdrol. Er zijn drie soorten Hobbits: de Stoerders, de Vavels en de Bruivels.

Hobbits, om hun geringe lengte door andere volken in Midden-aarde ook wel Halflingen (Engels: Halflings) (Westron: Banakil) genoemd, leven aan het eind van de Derde Era vooral in de Gouw, een gematigde streek in Midden-aarde. Het zijn van aard rustige, gemoedelijke en vrolijke wezens die van eten, drinken en tabak houden. Daarom zijn de wezens zelf rondbuikig, ze houden vooral van rust en vrede en bovenal niet van avonturen. Hun lengte varieert van circa 60 cm tot 120 cm, maar door de Hobbits zelf wordt gezegd dat ze vroeger groter waren. Hobbits hebben haar op hun voeten en natuurlijk leer onder hun voeten, hierdoor hoeven ze geen schoenen te dragen. Ze kunnen goed sluipen en zich ongezien uit de voeten maken.

Bandobras Toek in gevecht met een ork.

De bekendste Hobbits zijn Bilbo Balings, zijn erfgenaam Frodo Balings en diens metgezel Sam Gewissies.

Oorsprong[bewerken]

Hobbits zijn nauw verwant aan de Mensen en spraken ook de talen van de Mensen. Net als vele andere wezens van Midden-aarde trokken ze naar het westen. Zo verbleven ze een tijd bij de rivier de Anduin tussen de Nevelbergen en het toenmalige Grote Groene Woud (later Demsterwold genoemd). Waarom ze vervolgens naar Eriador trokken is niet bekend. Misschien was dit door de dreiging die ontstond in het Demsterwold en door de toenemende hoeveelheid van Mensen in dat gebied.

Gouwtelling[bewerken]

De Hobbits gebruiken een eigen jaartelling, die Gouwtelling wordt genoemd. De Gouwtelling begint met de stichting van hun nederzettingen in de Gouw, in het jaar 1601 van de Derde Era. Het gouwjaar is dus in feite het jaar van de Derde Era, minus 1600.

Vroege volkeren[bewerken]

Bruivels[bewerken]

Deze soort was de meest voorkomende Hobbitsoort en had in vroeger tijden veel met de Dwergen te maken gehad. Ze woonden lang in de heuvels aan de voet van de bergen. Ze kwamen vroeg bij de Weertop in het westen aan. Ze waren meer dan de andere Hobbitsoorten geneigd om zich op één plaats te vestigen en hielden zich het langst aan de gewoonte van hun voorouders om in holen te wonen.

Stoerders[bewerken]

In vergelijking met de andere Hobbits zijn Stoerders zwaarder gebouwd en hebben grotere handen en voeten. Tevens zijn ze minder schuw in de omgang met Mensen. De Stoerders waren een riviervolk en vissers, en ze bewoonden oorspronkelijk de oevers van de Anduin.

Vavels[bewerken]

De Vavels waren jagers en hielden van bomen en bossen. Ze waren de minst talrijke Hobbitsoort en kwamen vanuit het noorden van Midden-aarde. Veel Vavels waren ook vrienden van de Elfen. Hierdoor waren ze geleerder dan de andere Hobbitsoorten. Zo waren ze beter in taal en zang dan in ambachten. De Vavels waren wat avontuurlijker en moediger dan de andere Hobbitsoorten, en ze werden vaak leiders van de Bruivels en Stoerders. In 1601 staken twee Vavel-broers, Marco Breeg en Blanco Breeg, de Baranduin (Brandewijn zoals de Hobbits hem noemen) over met een grote aanhang van Hobbits en stichtten de Gouw.

Vernoeming[bewerken]

  • 'Hobbit' is ook de populaire naam voor de Floresmens, een (vermoedelijk) uitgestorven mensenras, waarvan overblijfselen zijn gevonden op het Indonesische eiland Flores. Dit mensenras zou zo groot zijn als mensen met achondroplasie (dwerggroei).
Bronnen, noten en/of referenties
  1. Het woord hobbit komt al voor in Denham Tracts, een bundel aantekeningen over folklore van Michael Aislabie Denham, uitgegeven door James Hardy, London, Folklore Society, 1895, deel 2. Daar wordt een lijst van wezens vermeld uit de The Discoverie of Witchcraft van Reginald Scot uit 1584 (vertaling Ondecking van tovery, Thomas Basson, Leiden, 1609 en G.Basson, Leiden, 1637): "boggleboes, bogies, redmen, portunes, grants, hobbits, hobgoblins, brown-men, cowies, dunnies". Mogelijk heeft Tolkien deze tekst gelezen en onbewust de naam hobbit, verwant aan het Middelengelse hobbe, overgenomen voor zijn fantasiewezens. Bronnen: het Engelse wikipedia-artikel Hobbit (word), DutchRevolt.Leiden.edu over Basson en Google.books scan van de Ondecking van tovery