Naar inhoud springen

Hollandse kwaker

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Witte kwaker

De Hollandse kwaker is een klein gedomesticeerd eendenras, ook wel witte kwaker genoemd omdat een bekende variëteit wit van kleur is. De eend komt oorspronkelijk uit Zuidoost-Azië en is een van de vele varianten van de pekingeend. Over de oorsprong van het ras zijn verschillende hypotheses. Het ras was al bekend in de 19e eeuw en zou van Hollandse oorsprong zijn of meegebracht door Hollandse zeevaarders uit China of Japan, al dan niet als fokproduct. In andere landen zijn ze bekend onder de namen Zwergente (de), Call duck (en) of Canard mignon (fr).[1]

De kwaker is het kleinste tamme eendenras. Het lijf is klein en kort, compact gebouwd, de rug is horizontaal, de kop is klein en rond met bolle wangen en een korte brede snavel. De vrouwtjes hebben en een snel repeterende lokroep. De poten staan midden onder het lichaam. Het ras wordt vooral voor de sier gehouden in 44 erkende kleurslagen, waarvan de oude kleuren wit en wildkleur het populairst zijn. Er zijn ook gekuifde kwakers gefokt. Een volwassen kwaker weegt circa 700-900 gram.[2]

Enkele kleurvariaties

De Hollandse kwaker is een ras dat werd geselecteerd op het vermogen tot luid kwaken. Het doel van dit luide kwaken was om in eendenkooien de kooiker (eigenaar van de eendenkooi) te helpen bij het lokken van wilde eenden. De wilde eenden werden door het kooikerhondje gelokt naar de zogenaamde pijp, waarna de eenden 'de pijp uit gingen' voor de poelier. Eendenkooien worden gezien als cultureel erfgoed en worden daarom op veel, vaak eeuwenoude, locaties in stand gehouden. Het doel is echter veranderd: de gevangen eenden worden met een voetring gemerkt en weer losgelaten voor vogelonderzoek.

Behalve op kwaakvermogen werd de eend ze ook geselecteerd op formaat, hoe kleiner, hoe beter. Het was van belang dat ze niet te veel voer aten, zodat de kosten voor de kooiker beperkt bleven. Dit verklaart waarom kwakers zo klein zijn. Later, toen ze meestal als liefhebberij werden gehouden, werden ook vele kleurslagen gefokt. Hollandse kwakers komt men op tentoonstellingen tegen in allerlei kleurvariaties, zoals wildkleur, meeskleur, wit, blauwwildkleur, bruinwildkleur, spreeuwkop, bont, spreeuwkop-witborst, zwart-witborst, geelblauw-wildkleur en geelbuik. De witte kwaker komt niet vaak voor, waardoor hij in de handel meer geld waard is.

De Hollandse kwaker voedt zich met zaden op de grond, groenvoer (onder meer sla en vogelmuur), muggenlarven, vliegen en andere insecten, regenwormen en slakken; aangezien de kwakers praktisch nergens in het wild leven, eten ze vooral eendenvoer of -korrels. Ook fijne steentjes worden opgenomen omdat dit helpt bij de vertering en een bron is van calcium en andere mineralen. In het wild eten kwakers vooral waterplanten.

De eieren zijn ongeveer een kwart kleiner dan die van een legkip en wit tot lichtgroen van kleur. Ze zijn eetbaar. De kuikens ofwel pullen van de witte kwaker zijn kanariegeel en de onderdelen zijn nogal verschillend van formaat: een zeer klein lijfje met kleine vleugeltjes, grote poten met zeer grote zwemvliezen en een zeer lange snavel. Door kwekers worden ze vaak een paar dagen na de geboorte gekortwiekt of geleewiekt zodat ze niet kunnen leren vliegen. Niet-raszuivere kuikens hebben vaak grote zwarte en zelfs bruine vlekken. De pullen groeien snel op. Een paar uur na de geboorte kunnen ze zwemmen en na een paar weken kunnen ze vrij lange afstanden stappen. Als ze hun donsveren wisselen voor hun volwassen verenkleed verliezen ze ook een groot deel van hun vlekken. Ook valt dan op dat de mannetjes (woerden) veel groter zijn dan de vrouwtjes en dat de snavel eigenlijk vrij klein is voor een volwassen eend. Hollandse kwakers worden 8 - 10 jaar oud.