Hoveniers in Utrecht

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken
Tuinderij Zandpad 16 omstreeks 1957. Het weggetje is de oude Achttienhovensedijk. Hier werd in 1970 Ziekenhuis Overvecht gebouwd

Sinds de Middeleeuwen hebben in en bij de stad Utrecht hoveniers, tegenwoordig tuinders genoemd, hun vak uitgeoefend om de Utrechtse bevolking van groenten te voorzien.

Gesloten gemeenschap[bewerken]

Hoveniers vormden een bijzondere en gesloten bevolkingsgroep in Utrecht. Een hovenier trouwde standaard met een hoveniersdochter. Als reden is aangegeven dat het bestaan van een hovenier nu eenmaal zwaar was en iemand uit dezelfde stand dat snapte. De beroepsgroep was dan ook vrijwel altijd te herkennen aan de familienaam. Bekende oud-katholieke hoveniersfamilies waren Van der Steen, Bakker, Van Oort, De Rijk, Moesman, Van Wierst, Kinnegim, Kinneging en Kinnegam. Rooms-katholiek waren de families Achterberg, Elsendoorn, De Groot, Koot of Cooth, Miltenburg, Van Zijl, Gresnigt, en Jongerius. Veel van deze namen zijn nu terug te vinden in de straatnamen rond Pijlsweerd en de Hoogstraat. De familienaam Verheul kwam bij zowel Rooms- als Oud-Katholieken voor.

Van binnen naar buiten[bewerken]

Aanvankelijk hadden de Utrechtse hoveniers hun tuinen binnen de stadssingels. Uit de stadsarchieven blijkt dat er nog tot in de 17e en 18e eeuw hofsteden in de stad aanwezig waren. De tuinbouwgrond werd echter steeds schaarser, het werd meer en meer in gebruik genomen voor woningen, bedrijven en andere stedelijke voorzieningen. De hoveniers verhuisden daarom op den duur naar grond buiten de singels en gebruikten hun gronden vooral in buitengerechten van de stad Utrecht. Tot in de twintigste eeuw stonden de hovenierswoningen in wijken als Abstede, Wittevrouwen, Pijlsweerd en Tolsteeg. Daar bebouwden ze de vruchtbare gronden aan de oevers van een aantal waterwegen: de Minstroom, de Kromme Rijn en het Zwarte Water. Die werden ook gebruikt voor het vervoer van de groenten naar de binnenstad. De Oud-Katholieke tuinderijen lagen vooral aan de noordkant van de stad bij de Bemuurde Weerd, nog dicht tegen de singels aan, op de plek van het huidige Pijlsweerd en de Vogelenbuurt. De naam van de Koekoekstraat herinnert aan de vroegere hofstede 'De Koekoek'.

Kerk[bewerken]

Vrijwel alle hoveniers waren katholiek, zowel Rooms-Katholiek als Oud-Katholiek.

Een bijzondere groep vormden de oud-katholieke hoveniers. Hun kerkelijk centrum was sinds ongeveer 1450 een kapel in de Bemuurde Weerd die stond op ongeveer de plaats stond waar in 1870 de Jacobuskerk gebouwd is. De kapel was door de bisschop gegund aan gelovigen van de Jacobiparochie die buiten de muren van de stad woonden. Ze konden zo in de avond en in de nacht, als de stadspoorten gesloten waren, toch geestelijke bijstand en hulp krijgen.

In de 17e eeuw werd deze geloofsgemeenschap buiten de muren een aparte parochie. Begin 18e eeuw voegden ze zich bij die rooms-katholieken die zich gescheiden van 'Rome' gingen opstellen. De oorzaak van het conflict met Rome lag in het aloude recht dat de rooms-katholieken in Nederland hadden op het kiezen van een eigen bisschop. Dit recht werd door Rome in verband met de reformatie niet langer erkend. Rond 1723 voltrok zich de scheiding met Rome definitief. De naam van de gemeenschap werd toen Rooms-Katholieken van de Oud-Bisschoppelijke Clerezie. Als zodanig werden ze door de overheid, tot op de dag van vandaag erkend. In de 19e eeuw werd de kortere naam Oud-Katholieke Kerk van Nederland ingevoerd.

In 1989 moest de Jakobuskerk vanwege teruglopend kerkbezoek en hoge onderhoudskosten worden afgestoten. De parochianen gingen deel uitmaken van de Oud-Katholieke Parochie van Utrecht met als kerkgebouw de Sint-Gertrudiskathedraal aan het Willemsplantsoen.

Stadsuitbreiding[bewerken]

In de negentiende en twintigste eeuw kon de stad Utrecht uitbreiden vanwege de nieuwe Vestingwet. Allengs werden de hoveniers steeds verder uit de stad 'verdreven'. Nieuw land werd vanaf ongeveer 1850 in gebruik genomen aan het Zandpad langs de Utrechtse Vecht, in het Ondiep, op de Klop en langs de Hoogelanden en de Lauwerecht. In de jaren 20 en 30 van de 20ste eeuw ging de trek naar buiten nog verder. Men vestigde zich in Maarssen, langs de Gageldijk, in Vleuten, in Westbroek, in Blauwkapel en de Groenekan. Dat bracht veel inspannende 'ontginning' van weiland met zich mee. Ook werden in die tijd op de tuinen veel nieuwe huizen, schuren, en kassen gebouwd.

Afloop[bewerken]

In 1960 telde men nog zo'n 40 oud-katholieke hoveniers in de contreien rond Utrecht. In 2009 waren hiervan nog slechts enkele bedrijven over. De grootscheepse uitbreiding van de stad met onder andere Overvecht, de noodzakelijke schaalvergroting in het tuindersbedrijf en het ontbreken van een opvolger waren voor vele, ook niet oud-katholieke, tuinders de reden om met het bedrijf te stoppen.

Zie ook[bewerken]

Literatuur[bewerken]

  • Coen van Kasteel (2009), Hoveniers, humor en heiligheid, Begijnkade 18 Uitgevers, ISBN 978-90-78019-21-3
  • J.H.C. van den Berg, Iets over de Utrechtsche hoveniers en de kleeding der hovenierschen, in: Jaarboekje van Oud-Utrecht, 1937, p. 138-149.