Hygiënehypothese

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken

De hygiënehypothese is een mogelijke verklaring voor de forse toename in prevalentie van onder meer eczeem, astma en allergieën in de geïndustrialiseerde wereld. Gesimplificeerd stelt de hypothese dat door de betere hygiëne en de eliminatie van kinderziekten het menselijk afweersysteem minder hard hoeft te werken, en hierdoor op hol slaat[1].

Hoewel een grotere hygiëne en de toename van deze aandoeningen in de tijd samenvallen, is er vooralsnog geen overtuigend bewijs dat de hygiënehypothese definitief bevestigt of definitief ontkracht.

Tegenwoordig wordt in de medische literatuur niet alleen allergische ziekten gerelateerd aan de hygiënehypothesen maar ook andere immuunziekten zoals auto-immuunziekten en jeugdleukemie (Smith[2]).

Zeer recent is er een onderzoek geweest die het verband tussen de hygiënehypothese en allergie cq auto-immuunziekten belicht (Okada[3]).

Geschiedenis[bewerken]

Hoewel het idee niet nieuw is wordt David P. Strachan gezien als degene die de theorie voor het eerst een wetenschappelijk fundament geeft na publicatie in British Medical Journal, in 1989 van zijn opzienbarende onderzoek[4]. Strachan ontdekte dat allergische ziektes minder voorkwamen bij kinderen die opgroeiden in grote gezinnen. Het is bekend dat deze kinderen blootstaan aan meer infectiebronnen doordat kinderen in grote gezinnen elkaar eerder aansteken met een infectie dan kinderen in kleine gezinnen. De theorie is uitgebreid onderzocht door immunologen en epidemiologen. Mede door hun bevindingen is dit een belangrijke theorie geworden.

Bewijzen voor de hygiënehypothese[bewerken]

De theorie wordt ondersteund door zowel epidemiologisch onderzoek als medisch onderzoek. Medisch onderzoek werd veelal uitgevoerd via diermodellen.

Epidemiologische bewijzen[bewerken]

Uit veel epidemiologisch onderzoek blijkt dat allergie en astma minder voorkomt bij kinderen die opgroeien op een boerderij of afkomstig zijn van ouders met een antroposofische achtergrond (Alfvén T et al.[5]). Boerenkinderen staan meer bloot aan infectiebronnen omdat zij opgroeien op een boerderij. De antroposofische kinderen zijn veelal niet gevaccineerd en hebben een iets grotere kans op het doormaken van een kinderziekte. Onder kinderen die op een natuurlijke wijze mazelen doormaken komen minder allergie of hooikoorts voor (Shaleen, The Lancet[6]). Verder blijkt dat in minder ontwikkelde en stedelijke gebieden in niet westerse landen allergieën minder voorkomen. Echter, indien jonge kinderen uit die landen verhuizen naar ontwikkelde gebieden, dan neemt de kans op allergische ziektes zoals astma toe[7][8].

Medische bewijzen[bewerken]

Via diermodellen heeft men kunnen aantonen dat infecties ook preventief kunnen werken tegen auto-immuunziekten. Uit een onderzoek met muizen die aanleg hebben voor het ontwikkelen van diabetes type-1 is gebleken dat type-1 kon worden voorkomen door deze muizen op jonge leeftijd te besmetten met virussen (Oldstone, Science[9]).

Mechanisme voor ontstaan allergie[bewerken]

Veel wetenschappers denken dat de verhouding tussen Th1-cellen, verantwoordelijk voor de celafweer, en Th2-cellen, verantwoordelijk voor de humorale afweer die gebruik maakt van de antistoffen afweer, van belang is voor het risico met betrekking tot het ontwikkelen van een allergie (Bufford[10]).

Een baby wordt geboren met een grote hoeveelheid Th2 helpercellen, van belang voor stimuleren humorale afweer die werkt via de antistoffen afweer. Het doormaken van infectieziekten, vooral als deze gepaard gaat met koorts, zorgt voor een stimulatie van de celafweer via de Th1. Indien het aantal Th1 cellen toeneemt, nemen de Th2 cellen af. Uit diermodellen volgt dat dit zorgt voor een kleinere kans op het ontwikkelen van een allergie (van Eden (Immunoloog),in Intermediair[11]). Bij een allergie vallen antistoffen ongevaarlijke pathogenen op een overdreven manier aan.

Vaccinaties voorkomen succesvol de klassieke kinderziekten. Helaas doen de huidige vaccinaties een beroep op het Th2 mechanisme waardoor de hoeveelheid Th2 onvoldoende de kans krijgt verlaagd te worden onder invloed van een kinderziekte die door de kudde-immuniteit steeds minder voorkomen, ook onder ongevaccineerden.

Mechanisme voor ontstaan auto-immuunziekte[bewerken]

Uit Amerikaans onderzoek, gepubliceerd in het als wetenschappelijk betrouwbaar bekendstaande blad Cell[12], titel: Homeostatic expansion of T cells during immune inefficiency generates autoimmunity bleek dat als muizen met een gevoeligheid voor diabetes type-1 (NOD muizen) bloot staan aan infectiebronnen deze minder kans hebben diabetes type-1 te ontwikkelen dan muizen levend in een steriele omgeving.

Men ontdekte dat muizen in een infectierijke omgeving meer langlevende T-cellen (T-geheugencellen) hebben. T-geheugencellen zijn belangrijk voor het produceren en aanvullen van gezonde kortlevende T-cellen. Het aantal kortlevende T-cellen kent een minimale hoeveelheid die op peil gehouden moet worden, dit wordt genoemd: Homeostatische expansie van T-cellen.

Indien er te weinig T-geheugencellen zijn wordt een beroep gedaan op andere T-cellen om zich te delen om zo de minimale hoeveelheid te waarborgen. Ook de auto reactieve T-cellen die het eigen lichaam aanvallen worden hiervoor gebruikt. Een verlaagde hoeveelheid T-geheugencellen zorgt voor een verhoogde hoeveelheid auto reactieve T-cellen waardoor het risico op een auto-immuunziekte wordt verhoogd, zo bleek uit dit diermodel.

Andere ziekten en condities die mogelijk gerelateerd zijn aan de hygiënehypothese[bewerken]

Jeugdleukemie[bewerken]

Zoals al vermeld in de inleiding wordt ook jeugdleukemie gerelateerd aan de hygiënehypothese, o.a. door epidemiologisch onderzoek. In 1998 is over dit fenomeen een belangrijke publicatie geweest[2]. Prof. dr. Melvyn Greaves onderbouwde een aantal jaren geleden met epidemiologische gegevens de hypothese dat kinderen die in hun eerste twee levensjaren minder aan gewone infecties zijn blootgesteld vaker leukemie krijgen dan kinderen die `onder grote besmettingsdruk' leven. Een belangrijk argument voor Greaves was dat in het westen ongeveer tienmaal meer ALL (jeugdleukemie) bij kinderen voorkomt dan in Afrikaanse en Aziatische landen. Binnen Groot-Brittannië komt ALL meer voor bij kinderen van ouders met een goede opleiding en een goede baan (hoge economische status) die geïsoleerd opgroeien (enig kind, niet naar de crèche) dan kinderen uit grote gezinnen uit lagere sociale milieus.

Greaves keek naar de ALL-variant van voorloper-B-lymfocyten die het merendeel (75%) van alle ALL uitmaakt en die in het Westen een piek vertoont op vierjarige leeftijd. Die piek ontbreekt echter in de Afrikaanse en Aziatische landen[13].

Autisme[bewerken]

Men denkt tegenwoordig dat te weinig blootstelling van de moeder aan infecties een grotere kans geeft op een zuigeling die geboren wordt met een allergie. Tegenwoordig is 50% van de zuigelingen allergisch, wat vroeger veel lager was (NOS en RTL Nieuws 29 februari 2008[14]). Geleerden denken dat dit komt door het opgroeien van de moeder in een omgeving met een lage infectiedruk (Elsevier[15], BBC[16]).

Citaat: Men vond dat de grootste bescherming - een 50% reductie in astma en zelfs een grotere reductie in eczeem - verkregen werd indien de moeder blootgesteld werd aan leven op de boerderij gedurende de zwangerschap of die daarvóór op een boerderij werkte.

Sommige geleerden gaan zelfs verder. Er zijn veel wetenschappelijk aanwijzingen dat autisme mogelijk veroorzaakt wordt door een immuunziekte (Croonenberghs[17], Gupta S[18], Ashwood P, Wakefield AJ[19], Zimmerman AW[20], Molloy CA[21]).

Er zijn onderzoekers die melden dat ze aanwijzingen hebben gevonden die het voorkomen van autisme in een aantal gevallen relateren aan de hygiënehypothese (Kevin G. Becker[22]).

Kanker[bewerken]

Vanwege het toenemend gebruik van antibiotica, koortsverlagers en vaccins tegen kinderziekten worden mensen minder blootgesteld aan hoge koorts. Hoge koorts wordt gezien als een belangrijke preventie tegen kanker. In veel medische onderzoeken blijkt een statistisch verband tussen het veelvuldig doormaken van hoge koorts en de verlaagde kans op kanker daardoor. (Albonico[23], Stephen A. Hoption[24]).

Onderzoek laat zien dat proefdieren die blootgesteld hebben gestaan aan infectieziekten met koorts een meer defensieve afweer hebben tegen kankercellen (Gabizon et al.[25]).