Jan-Willem Veening

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken
Jan-Willem Veening
Jwveening.jpg
Persoonlijke gegevens
Volledige naam Jan-Willem Veening
Geboortedatum 26 december 1978
Geboorteplaats Vries
Nationaliteit Vlag van Nederland Nederland
Werkzaamheden
Vakgebied Moleculaire genetica; Bacteriologie; Medische microbiologie; Synthetische biologie
Universiteit Rijksuniversiteit Groningen, Universiteit van Lausanne
Promotor Oscar Kuipers en Leendert Hamoen
Soort hoogleraar Adjunct-Hoogleraar (Groningen), Hoogleraar (Lausanne)
Beroep onderzoeker
Bekende werken Phenotypic variation in Bacillus subtilis: Bistability in the sporulation pathway
Overig
[Stafpagina Website]
Portaal  Portaalicoon   Onderwijs

Jan-Willem Veening (26 december 1978, Vries) is een moleculair geneticus die als adjunct hoogleraar (universitair hoofddocent met promotierecht) verbonden is aan de Rijksuniversiteit Groningen[1] Zijn vakgebied betreft de microbiologie en de toegepaste microbiologie. Zijn expertise ligt op het gebied van de moleculaire genetica, de bacteriologie, de medische microbiologie en de systeem en synthetische biologie.

Biografie[bewerken]

Jan-Willem Veening studeerde biologie in Groningen van 1997 tot 2002 en studeerde cum laude af. In 2007 promoveerde hij aan de Rijksuniversiteit Groningen (cum laude) bij Oscar Kuipers en Leendert Hamoen met het proefschrift Phenotypic variation in Bacillus subtilis: Bistability in the sporulation pathway. Van 2006 tot 2009 deed Veening postdoctoraal onderzoek aan het Centrum voor Bacteriële Celbiologie van de Universiteit van Newcastle in de groep van Jeff Errington.

Veening is adjunct hoogleraar aan de Rijksuniversiteit Groningen en tevens bestuurslid van de sectie Algemene en Moleculaire Microbiologie van de Koninklijke Nederlandse Vereniging voor Microbiologie (KNVM).[2] In 2015 is hij voor een periode van vijf jaar benoemd tot lid van De Jonge Akademie (KNAW).[3] De European Molecular Biology Organization (EMBO) heeft hem van 2014 tot 2017 benoemd tot Young Investigator.[4] Op 1 oktober 2016 werd Veening tevens benoemd tot hoogleraar (professeur ordinair) aan de Universiteit van Lausanne bij de vakgroep fundamentele microbiologie.[5]

Onderzoek[bewerken]

In 2009 richtte Veening zijn eigen onderzoek en onderwijs groep op aan het Groningen Biomolecular Sciences and Biotechnology Institute van de Rijksuniversiteit Groningen. Deze groep doet name onderzoek naar de bacterie Streptococcus pneumoniae (pneumococcus).

Subsidies[bewerken]

Veening ontving diverse subsidies voor zijn onderzoek. Een selectie van die subsidies is:

  • Als beginnend onderzoeker kreeg Veening in 2010 een Veni subsidie van de Nederlandse Organisatie voor Wetenschappelijk Onderzoek (NWO) van € 250.000 voor het onderzoek How bacteria get in shape[6] Het NWO noemt dit de vernieuwingsimpuls Veni die is bestemd als financieringsinstrument om pas gepromoveerde onderzoekers de kans te geven hun ideeën verder te ontwikkelen .[7]
  • In 2013 ontving hij een Vidi beurs van de Nederlandse Organisatie voor Wetenschappelijk Onderzoek (NWO) van € 800.000 voor zijn onderzoek Hoe bacteriën in vorm raken[8]
  • In 2013 kreeg hij van de Europese onderzoeksraad een startsubsidie (ERC starting grant) van € 1,5 miljoen voor zijn onderzoeksvoorstel Noise in gene expression as a determinant of virulence of the human pathogen Streptococcus pneumoniae[9]

Publicaties (selectie)[bewerken]

Veening werkte mee aan meer dan 60 publicaties.[10], die in totaal meer dan 3000 keer werden geciteerd. Hij heeft een H-index van 25 en een i10-index van 35; dat betekent dat 25 publicaties elk minstens 25 keer zijn geciteerd en dat 35 publicaties elk minstens 10 keer zijn geciteerd.[11] Een selectie van de belangrijkste publicaties:

  • A mechanism for cell-cycle regulation of sporulation initiation in Bacillus subtilis. Genes & Development (2009)[12]
  • Transient heterogeneity in extracellular protease production by Bacillus subtilis . Molecular Systems Biology (2008).[13]
  • Bet-hedging and epigenetic inheritance in bacterial cell development. PNAS (2008).[14]