Hiëronymus Lauweryn
Hiëronymus Lauweryn (ook Jeronimus Lauwerein), ridder, (Brugge, ca. 1450 – Den Haag, 1509) was heer van Watervliet, Waterland, Poortvliet, Leestkens en Philippine en diende de regeringen van drie vorsten over de Nederlanden: Maximiliaan I van Habsburg, en diens zoon Filips de Schone, en dochter Margaretha van Oostenrijk.
Lauweryn geldt als een voorbeeld van de opkomende groep administratieve edellieden, de zogenaamde homines novi, die in de vijftiende en zestiende eeuw via bekwaamheid en hofdienst sociale mobiliteit realiseerden en een sleutelrol speelden in de vroege staatsvorming van de Nederlanden. Hij werkte zich op tot een van de machtigste financiële bestuurders van de Nederlanden.[1]
Familie
[bewerken | brontekst bewerken]Hieronymus Lauwerijns stamde uit een oud Brugs geslacht dat sinds de 13e eeuw voorname functies bekleedde in de stad. Hij werd geboren in 1453 in Brugge als zoon van Bavo Lauwerijn en diens maîtresse Barbara Roels. Nadat Bavo weduwnaar was geworden en met Roels trouwde, werd Hiëronymus Lauweryn gewettigd. Hij werd net zoals zijn vader eerst klerk, werd vervolgens ontvanger van de Brugse Vrije en uiteindelijk hofmeester van graaf Filips de Schone evenals algemeen ontvanger van de grafelijke domeinen en financiën. In 1500 werd keizer Karel geboren, en men gaat er van uit dat Hiernomys invloed had op de jonge troonopvolger.
Hiëronymus Lauweryns eerste vrouw was de dochter van de belangrijke Gentenaar Matthijs Peyaert. Met haar kreeg hij zes kinderen. Hij hertrouwde nadien met een Brugse, met wie hij drie kinderen kreeg.[2]
De oudste van zijn kinderen, Mathias Lauwerijns (1486 - 1 november 1540) werd de heer van Watervliet en Waterland en was bij herhaling tresorier, schepen en burgemeester van het Brugse Vrije. Hij oefende ook functies uit aan het Habsburgse hof en vergezelde de jonge Karel V in 1517 naar Spanje. Hij huwde Françoise Ruffault, de dochter van een financiële ambtenaar uit het Rijselse (Frans) Vlaanderen . Hij was de vader van de numismaat, bibliofiel en mecenas Marcus Laurinus jr. evenals van de jurist en filoloog Guido Laurinus. Hij stierf in Watervliet en werd er begraven.[2]
Een andere zoon, Marcus (1488-1540), werd kanunnik en later deken van Sint-Donaas te Brugge. Hij was nauw bevriend met Erasmus. Laurinus is een hoofdfiguur geweest in het Europese netwerk van de humanisten in zijn tijd. Wanneer een voorname gast bij hem kwam logeren, hield hij 'convivia docta' of geleerde diners, waarop hij Brugse geleerden uitnodigde. Zo onderhield hij nauwe banden met Erasmus, Thomas More, Franciscus van Cranevelt, Pieter Gillis, Jan Fevijn, Guy Morillon, Cornelis De Schepper en vooral ook Juan Luis Vives. Laurinus overleed enkele maanden na zijn vriend Vives.[3]
Een derde zoon, Peter Lauwerijns, bekleedde enkele gezaghebbende functies binnen het Brugse Vrije. Hij was van 1509 tot aan zijn dood heer van Leestkens. Zijn veelbelovende carrière kwam vroegtijdig tot een einde. Hij overleed op amper 32-jarige leeftijd, vermoedelijk aan de pest, en liet en gezin met jonge kinderen achter. [4]
Carrière
[bewerken | brontekst bewerken]Vroege loopbaan
[bewerken | brontekst bewerken]Lauweryn begon zijn carrière in 1477 als klerk bij de algemene ontvanger van Vlaanderen, net als zijn vader. Hij bekleedde vervolgens diverse ontvangerschappen van grafelijke domeinen, onder meer in Sluis en het bos van Houthulst.
In 1486 werd hij kasselrij-ontvanger van het Brugse Vrije. Deze functie kostte hem bijna het leven toen hij twee jaar later werd gearresteerd door de opstandige Bruggelingen. Zij hadden keizer Maximiliaan van Oostenrijk gevangengezet op de Markt en hadden de rekenplichtige ambtenaren ter verantwoording geroepen. Verschillende Bourgondische notabelen lieten toen het leven, waaronder Pieter Lanchals in Brugge en Lauweryns schoonvader Matthijs Peyaert in Gent. Na zijn vrijlating hervatte hij in 1489 zijn ambt, dat hij tot 1498 bekleedde.
Thesaurier-generaal
[bewerken | brontekst bewerken]In 1499 werd de financiële administratie van de Nederlanden gereorganiseerd en het aantal thesauriers teruggebracht van vier tot één. Lauweryn werd benoemd tot thesaurier-général des domaines et finances, waarmee hij de hoogste financiële functie binnen de Bourgondisch-Habsburgse staten bekleedde. Vanuit die positie oefende hij aanzienlijke invloed uit op de inkomsten, uitgaven en belastingen van de vorstelijke domeinen en trad hij op als schakel tussen de centrale administratie en het hof.
Hofdiensten en adelstand
[bewerken | brontekst bewerken]Lauweryn diende als raad en hofmeester van Filips de Schone en werd in 1503 door hem tot ridder geslagen tijdens een plechtigheid te Bourg-en-Bresse. Hij fungeerde tevens als gouverneur van de kinderen van Filips, onder wie de latere keizer Karel V.[2]
Investeringen
[bewerken | brontekst bewerken]Hieronymus was bekend voor de landwinningen in het Meetjesland, en hij hielp de Sint-Christoffelpolder in Watervliet bedijken. Dan volgden de drooglegging van de Jeronimuspolder tot aan de heerlijkheid Waterland – waar zich thans het dorpje Waterland-Oudeman bevindt en het Zeeuws-Vlaamse Waterlandkerkje – en de bedijking van de Lauwerynpolder tot in het ambacht Bouchaute. Naar graaf Filips noemde hij de polder en de heerlijkheid Philippine. Men schreef dat hij er van droomde in Watervliet een nieuw Brugge te scheppen.[2]
Tussen 1497 en 1506 stichtte hij de volgende polders:
- Sint-Christoffelpolder (1499)
- Jeronimuspolder (1501)
- Laurijnepolder (1503)
- Sint-Annapolder (1505)
- Sint-Barbarapolder (1508)
- Philippinepolder
Deze polders waren gelegen in het Scheldegebied en bestreken samen een oppervlakte van bijna 3.000 hectare. Volgens een legende kwam Lauweryn op de Westerschelde met zijn schip in een storm terecht. In zijn angst te zullen vergaan beloofde hij op de plek waar hij veilig zou landen een kerk te bouwen ter ere van Onze Lieve Vrouw.
Hij stichtte in 1504, te midden van de door hem ingedijkte polders, de stee Watervliet waar hij de kerk en een linnenmolen liet bouwen. Lauweryn richtte nog twee vlakbijgelegen heerlijkheden op: Waterland en Waterdijk, beiden afhankelijk van Watervliet. Hij wilde van Watervliet een grote havenstad maken, maar zag later in dat de ligging van Philippine beter was. Twee jaar later stichtte hij de stad Philippine in de gelijknamige polder, genoemd naar Filips de Schone en ook afhankelijk van Watervliet. Dit is nooit meer dan een vissershaventje geworden, onder andere omdat de schepen een grotere diepgang nodig hadden (Amerika was net ontdekt) en door de Tachtigjarige Oorlog.
In 1508, tijdens het bestuur van Margaretha van Oostenrijk, die zijn stadspaleis in Mechelen als residentie had overgenomen, trok Lauweryn zich vanwege zijn gezondheid terug. Een jaar later stierf hij in Den Haag. Zijn grafsteen staat in de Onze-Lieve-Vrouw Hemelvaartkerk van Watervliet.
Liedboek
[bewerken | brontekst bewerken]
Lauweryn blijft niet alleen bekend als zakenman maar ook als muziekliefhebber. Hij legde een verzameling aan van chansons en motetten voor gebruik in gezinsverband. Het "chansonnier" werd vermoedelijk tussen 1495 en 1507 vervaardigd. Het wordt in Londen bewaard als Handschrift Add. 35.087 van de British Library en bevat voornamelijk wereldlijke werken (slechts 13 % van de stukken zijn motetten). Het grootste deel van het liedboek wordt ingenomen door 63 Franse chansons. Daarnaast bevat het 25 wereldlijke Nederlandse polyfone liederen, meestal driestemmig en nergens anders terug te vinden. Zulke grote hoeveelheid Nederlandstalige liederen in zo'n collectie was destijds vrij opmerkelijk; vermoedelijk wilde Lauweryn liederen uit zijn geboortestreek bewaren voor het nageslacht.
Het chansonnier bevat onder andere werken van Alexander Agricola, Loyset Compère, Jean Mouton, Benedictus Appenzeller en zelfs Josquin des Prez. De meeste liederen zijn in het Frans of Nederlands; verder zijn er nog enkele in het Latijn en twee in het Italiaans. Bij één lied is in het liedboek de naam van een zekere Laurentius opgenomen, waarvan is gesuggereerd[bron?] dat misschien Lauweryn van Watervliet zelf de componist is geweest.
Beheer van de eigendommen door zijn nakomelingen
[bewerken | brontekst bewerken]Na het overlijden van Hieronymus Lauweryn beheerde zijn zoon Mathias Lauwerijns het domein tot zijn dood op 9 september 1540. Zijn weduwe Françoise Ruffault verwierf in 1541 het Hof van Sint-Joris in Brugge van Margriet de Baenst, een familielid uit een verwante Brugse tak. Reeds in 1540 had de familie ook het omwalde buitengoed het Blauw Huis in Sint-Kruis gekocht, wat wijst op de toenemende oriëntatie van de familie op Brugge. Het hof aan de Oude Burg bevond zich in een voornaam stadsdeel dat later ook andere familieleden aantrok.
Het uitgestrekte familiedomein in het Meetjesland kampte intussen met overstromingen en langdurige kerkelijke geschillen over de uitzonderingsstatus van Watervliet en omliggende heerlijkheden, wat leidde tot kostbare rechtszaken.
Na de vroege dood van Pieter Lauweryn hertrouwde zijn weduwe Liesbeth d’Onche met Cornelis de Sceppere, met wie zij in 1547 het Hof van Beveren verwierf, grenzend aan het Hof van Plaisance (het kasteel van Lauwerijn met koetshuis). In 1565 overleed Françoise Ruffault; haar zonen verdeelden het bezit zonder noemenswaardige moeilijkheden.
De jongste zoon Guido kreeg het Hof in de Gouden Handstraat, terwijl de oudste, Marcus Laurinus jr. Lauwerijn (1525–1581), de heerlijkheid Watervliet en het Hof aan de Oude Burg erfde. Hij kocht het aandeel van zijn broer af en bracht zijn omvangrijke bibliotheek, muntkabinet en kunstcollectie onder in het Blauw Huis in Sint-Kruis, dat bekend werd als het Museum Marci Laurini.
Marcus verbond het stadspaleis aan de Oude Burg met aanpalende huizen in de Nieuwstraat, waardoor een aaneengesloten stadspatrimonium ontstond van het Hof van Watervliet tot aan de Dijver in Brugge. Hij liet de houten gevels vervangen door stenen renaissancegevels, “tot merkelijke vercieringhe ende decoratie van de stad”, en vroeg daarvoor vrijstelling van stedelijke belastingen.
Als humanistisch geleerde en bibliofiel onderhield Marcus nauwe contacten met Parijse en Antwerpse humanisten en verzamelaars. Via zijn Antwerpse netwerk haalde hij in 1558 de kunstenaar-drukker Hubertus Goltzius naar Brugge, voor wie hij als mecenas optrad. De uitgaven van Goltzius over de oudheid (1563–1566), verspreid via de Antwerpse uitgever Christoffel Plantijn, genoten internationale belangstelling, al verliep de samenwerking later moeizamer door Marcus’ gebrek aan zakelijk inzicht.
Vanaf 1565 werden een groot deel van de bezittingen in Watervliet opnieuw door de zee verzwolgen en gingen inkomsten verloren. Vanaf 1569 verkocht Marcus met mondjesmaat percelen van het grote domein Hof van Watervliet en Hof van Beveren, en omliggende huizen. De kopers waren Anna Van Thiennes en zijn broer Guido. Dit kon evenwel niet beletten dat Goltzius hem voor de rechtbank zou dagen gezien hoge uitstaande schulden. Marcus overleefde de politieke intriges van de Calvinistische republiek (1578-1584) in Brugge niet. Hij trok weg naar het zuiden en overleed anoniem in Calais.
Guido Laurinus, zijn jongere broer, werd de nieuwe heer van Watervliet en erfde het Hof in de Oude Burg. Guido stierf in 1588 te Rijsel en het Hof van Watervliet kwam in handen van Guido’s zoon Marc (overleden in 1610) en Guido’s dochter Françoise. Na de dood van zoon Marc, verkocht dochter Françoise in 1611 aan Peter Boddens. Het familiepatrimonium was op dat moment nog maar een schijn van wat het een eeuw tevoren was geweest.[2]
Literatuur
[bewerken | brontekst bewerken]- J. GAILLIARD, Bruges et le Franc, T. I, Brugge, 1857.
- E. FEYS, Documents inédits concernant les frères Laurin, in: Handelingen van het Genootschap voor geschiedenis te Brugge, deel X, Brugge, 1888.
- A. DEWITTE, Jeronimus en Mark Laurijn van Watervliet, in: Biekorf, 1981.
- A. DEWITTE, De Laurijns als bedijkers tussen IJzendijke en Philippine 1499-1614, in: Appeltjes van het Meetjesland, 1995.
- P.A. DONCHE, Geschiedenis en genealogie van de familie Donche, Berchem-Antwerpen, 2004.
- Ludo VANDAMME, Loyauteit of machtswellust? Een aanklacht tegen Hiëronymus Lauweryn (†1509), Biekorf, 2006.
- Jelle HAEMERS & Tim SOENS, Lauwerein Jeronimus, in : Nationaal Biografisch Woordenboek, T. XVIII, Brussel, 2007.
- Tim SOENS, Spade in de dijk? Waterbeheer en rurale samenleving in de Vlaamse kustvlakte (1280-1580), Gent 2009.
- Nico DUMALIN, De inventarisatie van het conglomeraatarchief Waterdijk, bewaard in het Rijksarchief te Gent. Van de infeodatie in 1504 tot de bestuurlijke hervorming in 1795, onuitgegeven masterthesis VUB, 2011
- Nico DUMALIN, Het testament van Jeronimus Lauwerein (21 juli 1509). Ambities en verwezenlijkingen van een parvenu, in: Handelingen der Maatschappij voor Geschiedenis en Oudheidkunde te Gent, 2011.
- Frederik BUYLAERT, Repertorium van de Vlaamse Adel, 1350-1500, Gent, 2011.
- Peter de Groot in het inlegboekje van The Songbook of Hieronymus Lauweryn van Watervliet (ca. 1500), door Egidius Kwartet & Consort, 2006
- ↑ DBNL, Loyauteit of machtswellust? Een aanklacht tegen Hiëronymus Lauweryn († 1509), Biekorf. Jaargang 106. DBNL. Geraadpleegd op 6 oktober 2025.
- ↑ a b c d e Laurentii - numquam solus incedes. www.laurentii.be. Geraadpleegd op 6 oktober 2025.
- ↑ (22 juni 2020). Marcus Laurinus. Wikipedia.
- ↑ (22 september 2025). Pieter Laurijn. Wikipedia.