Johan Svendsen

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Naar navigatie springen Jump to search
Johan Svendsen
Johan Svendsen
Johan Svendsen
Algemene informatie
Volledige naam Johan Severin Svendsen
Geboren 30 september 1840
Overleden 14 juni 1911
Land Vlag van Noorwegen Noorwegen
Werk
Genre(s) Klassiek
Beroep Componist, muziekpedagoog, dirigent
(en) Allmusic-profiel
Portaal  Portaalicoon   Muziek

Johan Severin Svendsen (Oslo, 30 september 1840Kopenhagen, 14 juni 1911) was een Noors componist, dirigent en muziekpedagoog.

Levensloop[bewerken]

Svendsens vader, Guldbrand Svendsen, speelde in een militaire kapel en gaf Johan zijn eerste muzieklessen. Hij kreeg vioollessen van Fredrik Ursin, maar hij speelde ook fluit en klarinet. Op 11-jarige leeftijd schreef hij zijn eerste compositie voor viool. Op 15-jarige leeftijd ging hij in militaire dienst en speelde al spoedig in een militaire kapel. Daarnaast speelde hij ook in dansorkesten en in het orkest van het theater in Kristiania (nu Oslo). Van 1857 tot 1859 musiceerde hij als violist bij de zogenoemde "Abonnementsconcerten", een serie van concerten die door Halfdan Kjerulf en J.G. Conradi samengesteld waren.

De algemene situatie, in het bijzonder de culturele armoede in Kristiania in de jaren vijftig en zestig van de 19e eeuw, bood hem geen mogelijkheden voor een verdere muzikale ontwikkeling. Ook een concertreis in 1862 bracht daar weinig verandering in. Met een studiebeurs van de Noorse koning Karel kon hij van 1863 tot 1867 in Leipzig studeren aan het Koninklijk Conservatorium (thans de Felix Mendelssohnschool voor muziek en theater). Zijn leraren waren daar Ferdinand David (1810-1873), viool) en orkestdirectie, Carl Reinecke (1824-1910), compositie, Moritz Hauptmann (1792-1868), muziektheorie, en Ernst Friedrich Richter (1808-1879), contrapunt.

Svendsen had last van een van zijn handen, waardoor hij zich vanaf 1865 op het componeren en dirigeren concentreerde. Geïnspireerd door reizen naar onder meer Parijs, Rome en Bayreuth en door bijeenkomsten met Richard Wagner, schreef hij in korte tijd van 1865 tot 1881 zijn belangrijkste werken. Met het Oktet voor strijkers, op. 3 uit 1866 en de 1e Symfonie in D-groot, op. 4 uit 1866-1867, die beide onafhankelijk van zijn leraar Reinecke ontstonden, kreeg hij voortaan internationaal succes. Tijdens een reis in de Verenigde Staten leerde hij zijn eerste vrouw, Sarah Levett, kennen. Hij trouwde met haar in 1871.

Van 1872 tot 1877 en van 1880 tot 1883 was hij dirigent van de Musikforening Kristiania (Oslo). Al spoedig was hij een gerenommeerd dirigent. Van 1883 tot 1908 leidde hij als hofkapelmeester Det Kongelige Kapel in Kopenhagen. Deze werkzaamheden in de tweede helft van zijn leven brachten hem economische onafhankelijkheid en gaven hem tijd om te componeren.

Stijl[bewerken]

Net als Edvard Grieg en Christian Sinding, de andere twee belangrijke persoonlijkheden uit het 19e-eeuwse Noorse muziekleven, bediende Svendsen zich van elementen uit de Noorse volksmuziek, maar zijn werken bleven zeer aan het 'Europese' idioom van de 'Leipziger Schule' verbonden. Zijn belangrijkste composities zijn een mengeling van romantische vormprincipes en uit de Scandinavische traditie overgeleverde melodiek. Naast belangrijke werken als het vioolconcert, het celloconcert, het strijkoctet en twee strijkkwartetten, zijn vooral zijn beide symfonieën en de Romance voor viool en orkest een garantie voor zijn blijvende bekendheid als componist. In aanleg zo veel mogelijk classicistisch, laten deze werken hem zien als een meester van instrumentatie, van het stralende coloriet en het dynamische raffinement. Met name met deze werken legde hij de basis voor het symfonische repertoire van Noorwegen.

3e Symfonie en verdere leven[bewerken]

Ook de compositie Zorahayda, een eenvoudig, maar gevoelig verhaal dat tegelijkertijd de legende van de "eeuwige Jood", van De Vliegende Hollander en andere geliefde bevrijdingsverhalen van de 19e eeuw combineerde, was voor Svendsen van groot belang. In Parijs had hij een Joods-Amerikaanse erfgename leren kennen, met wie hij in 1871 in New York trouwde. Na korte tijd trad Sara Levett toe tot het christendom, waarbij zij de doopnaam Bergljot Svendsen aannam. Bij deze gebeurtenis waren Richard Wagner en Cosima Wagner de peetoom en -tante.

In de winter 1882-83 had Svendsen zijn 3e symfonie voltooid, maar zijn echtgenote Sarah gooide de partituur in een aanval van jaloezie en woede in het vuur. In kunstenaarskringen werd dit verhaal spoedig bekend. Voor Henrik Ibsen werd het de basis voor het drama Hedda Gabler. Na deze desastreuze gebeurtenis was Svendsen een gebroken man. Een kleine tien jaar componeerde hij niet meer. Deze dramatische gebeurtenis deed het huwelijk geen goed. In 1884 gingen hij en zijn echtgenote uit elkaar. Sarah Levett verhuisde naar Parijs. Nadat de scheiding van zijn eerste vrouw definitief was geworden (10 december 1901), trouwde hij op 23 december 1901 met Juliette Haase, met wie hij reeds lang samenleefde en met wie hij drie kinderen had. Tijdens zijn studietijd in Leipzig was Svendsen reeds vader geworden van een buitenechtelijk kind, Johann Richard Rudolph (1867-1933).

Composities[bewerken]

Werken voor orkest[bewerken]

Symfonieën[bewerken]

  • 1866-1867 1e Symfonie D-groot, op. 4
  • 1874-1876 2e Symfonie Bes-groot, op. 15
    1. Allegro
    2. Andante sostenuto
    3. Intermezzo: Allegro giusto
    4. Finale: Andante – Allegro con fuoco – Stretto
  • 1882-1883 3e Symfonie

Concerten voor instrumenten en orkest[bewerken]

  • 1869 Concert in A-groot, voor viool en orkest, op. 6
  • 1870 Concert in d-klein, voor cello en orkest, op. 7

Andere orkestwerken[bewerken]

  • 1871 Sigurd Slembe ouverture, symfonische inleiding tot het drama van Bjørnstjerne Bjørnson, op. 8
  • 1872 Carnival in Paris, episode voor orkest, op. 9
  • 1872 Sørgemarsch i anledning Kong Carl den 15des død, voor orkest, op. 10
  • 1873 Polonaise Nr. 1 "Festpolonaise", op. 12
  • 1873 Kroningsmarsj, op. 13
  • 1874-1879 Zorahayda, legende voor orkest, op. 11 (gebaseerd op de vertelling Tales of the Alhambra (1838) van Washington Irving)
  • 1874 Norsk kunstnerkarneval (Noorse kunstenaarscarnaval), op. 14
  • 1874 Twee IJslands melodieën, voor strijkorkest, op. 30
  • 1874 I fjol gjætt’e gjeitinn, voor strijkorkest, op. 31
  • 1875 Fantasie: Romeo und Julia, op. 18
  • 1876 Twee Zweedse volksliederen, voor strijkorkest, op. 27
  • 1876 Noorse Rapsodie Nr. 1, op. 17
  • 1877 Noorse Rapsodie Nr. 2, op. 19
  • 1877 Noorse Rapsodie Nr. 3, op. 21
  • 1877 Noorse Rapsodie Nr. 4, op. 22
  • 1881 Romance in G-groot voor viool en orkest, op. 26
  • 1882 Polonaise Nr. 2 in D-groot, op. 28
  • 1892 Andante funebre, voor orkest
  • Bryllupet på Dovre, voor orkest
  • Holbergs-kantate, voor orkest
  • Norsk springdans, voor orkest
  • Persisk dans, voor orkest
  • Venetiansk serenade, voor orkest

Werken voor harmonieorkest[bewerken]

  • 1894 Preludium (bewerkt door J. Eriksen)
  • Axvalla marsch
  • Noorse kunstenaarscarnaval, op. 14 (bewerkt door Chomel)
  • Noorse Rapsodie Nr. 3, op. 21 (bewerkt door Johan F. Pala)
  • Festpolonaise, op. 12 (bewerkt door Johan F. Pala ook door Øivind Westby)

Muziektheater[bewerken]

Balletten[bewerken]

Voltooid in titel aktes première libretto choreografie
1892 Foraaret kommer – En festballett, op. 33

Werken voor koor[bewerken]

  • 1866 To mannskorsanger, voor mannenkoor, op. 2
  • 1881 Cantata voor de Inauguratie van het Henrik Wergeland Monument, voor bariton, gemengd koor en orkest, op. 25b
  • 1892 Festkantate, voor gemengd koor en orkest, op. 32 – tekst: W. Bergsøe
  • 1892 Kantate – Ved Christiania universitets fest i anledning af DDKKHH Gustav og Victorias formæling, voor gemengd koor en orkest, op. 29 – tekst: L. Dietrichson

Kamermuziek[bewerken]

Discografie[bewerken]

  • Chandos 10693 – Johan Svendsen: Orchestral Works Vol 1 – Bergen Philharmonic Orchestra o.l.v. Neeme Järvi (15 november 2011)

Bibliografie[bewerken]

  • Jozef Robijns, Miep Zijlstra: Algemene muziekencyclopedie, Haarlem: De Haan, (1979)-1984, ISBN 978-90-228-4930-9
  • Finn Benestad en Dag Schjelderup-Ebbe: Johan Svendsen. The Man, the Maestro, the Music, Noorwegen 1990, (Engelse vertaling van: William H. Halverson, Columbus, 1995.
  • Harald Herresthal, Ladislav Řezníček: Rapsodie norvégienne – Les musiciens norvégiens en France au temps de Grieg, Caen: Office Franco-Norvégien; Université de Caen, 1994, 305 p.
  • Wolfgang Suppan, Armin Suppan: Das Neue Lexikon des Blasmusikwesens, 4. Auflage, Freiburg-Tiengen, Blasmusikverlag Schulz GmbH, 1994, ISBN 3-923058-07-1
  • Wolfgang Suppan: Das neue Lexikon des Blasmusikwesens, 3. Auflage, Freiburg-Tiengen, Blasmusikverlag Schulz GmbH, 1988, ISBN 3-923058-04-7
  • Wolfgang Suppan: Lexikon des Blasmusikwesens, 2. ergänzte und erweiterte Auflage, Freiburg-Tiengen, Blasmusikverlag Fritz Schulz, 1976
  • Harald Herresthal: Norwegische Musik von den Anfängen bis zur Gegenwart, 2. Ausgabe, Oslo: Norsk Musikkforlag, 1987, 120 p., ISBN 978-82-7093-064-7
  • Harald Herresthal: Norwegische Musik von den Anfängen bis zur Gegenwart, Oslo: Norsk Musikkforlag, 1984, 130 p., ISBN 82-7093-033-4
  • Paul E. Bierley, William H. Rehrig: The heritage encyclopedia of band music: composers and their music, Westerville, Ohio: Integrity Press, 1991, ISBN 0-918048-08-7
  • Ella Arntsen: Johan Severin Svendsen, in: Norske klassikere. Oslo 1985. S. 466-477.
  • Mogens Wenzel Andreason: Kongens musikanter: Det kongelige Kapels koncerter 1883-1983, Copenhagen: Gyldendal, 1983
  • Nils Grinde: Norsk Musikkhistorie: Hovedlinjer i norsk musikkliv gjennom 1000 år, Oslo: Universitetsforlaget, 1981, 417 p.
  • H. Earle Johnson: First performances in America to 1900: works with orchestra, Detroit: Information Coordinators, 1979, 446 p.
  • Nils Schiorring: Musikkens historie i Danmark, Bind 3 1870-1970'erne, Copenhagen: Politikens Forlag, 1978
  • Gösta Morin, Carl-Allan Moberg, Einar Sundström: Sohlmans musiklexikon – 2. rev. och utvidgade uppl., Stockholm: Sohlman Förlag, 1975-1979, 5 v.
  • Gösta Morin, Carl-Allan Moberg, Einar Sundström: Sohlmans musiklexikon: nordiskt och allmänt upplagsverk för tonkonst, musikliv och dans, Stockholm: Sohlmans Förlag, (1951-)
  • John H. Yoell, Antal Dorati: The nordic sound: explorations into the music of Denmark, Norway, Sweden, Boston: Crescendo Publishing Co., [1974], viii, 264 p.
  • Tore Uppström: Pianister i Sverige, Stockholm: Ab Nordiska Musikförlaget, edition Wilhelm Hansen, 1973
  • Bjarne Kortsen: Grieg the writer, Vol. 1: essays and articles., Bergen: Bjarne Kortsen, 1972, 146 p.
  • Gustaf Hilleström: Utländska ledamöter, in: Matrikel 1771-1971: Kungl. Musikaliska Akademien, Strängnäs: Nordiska Musikförlaget i distribution, 1971, 286 p.
  • Marc Honneger: Dictionnaire de la musique, Paris: Bordas, 1970-76
  • Øivind Eckhoff: Noen særdrag ved Johan Svendsens instrumentalstil, Festskrift til Olav Gurvin. Drammen 1968. S. 56-72.
  • Poul Nielsen, Carsten E. Hatting, Thorkild Knudsen, Harald Krebs, Sigurd Berg: Dansk musik, Copenhagen: Studier, 1968
  • Vagn Kappel: Contemporary Danish composers against the background of Danish musical life and history, Copenhagen: Det Danske Selskab, 1967
  • David Ewen: Great composers 1300-1900 – A biographical and critical guide, New York: H. W. Wilson Company, 1966, 429 p., ISBN 978-0-8242-0018-3
  • Otto Schumann: Handbuch der Orchestermusik, Wilhelmshaven: Heinrichshofen's Verlag, 1954, ISBN 978-3-88199-108-7
  • Joaquín Peña, Higinio Anglés, Miguel Querol Gavalda: Diccionario de la Música LABOR, Barcelona: Editorial Labor, 1954, 2V, 2318P.
  • Niels Friis: Det Kongelige Kapel: fem aarhundreder ved hofet, paa teatret og i koncertsalen, Copenhagen: P. Haase & Sons, 1948, 350 p.
  • Ejnar Jacobsen: Musikkens mestre: danske komponister, Copenhagen: Jul. Gjellerups Forlag, 1947
  • Toimittanut Sulho Ranta: Sävelten mestareita: palestrinasta nykypäiviin, Osakeyhtiö: Werner Söderström, 1945
  • Bio-bibliographical index of musicians in the United States of America since colonial times, Prepared by the District of Columbia Historical Records Survey Division of Community Service Programs Works project Administration, Washington, DC: 1941, 439 p.
  • Johan Svendsen, Røster i radio, no, nr. 39, 1940
  • Theodore Baker: Baker's biographical dictionary of musicians – Fourth edition, New York: G. Schirmer, 1940
  • Per Lindfors: Johan Svendsen: ett hundraårsminne, Vår sång, vol. 13, 1940, p. 62-64
  • Carlo Schmidl: Dizionario universale dei musicisti, Milan: Sonzogno, 1937, 2V p.
  • Paul Frank, Wilhelm Altmann: Kurzgefasstes Tonkünstler Lexikon: für Musiker und Freunde der Musik, Regensburg: Gustave Bosse, 1936, 730 p.
  • -m-: Johann Svendsen. Zur 25. Wiederkehr seines Todestages, Schweiz. Instrumentalmusik XXV, 244. Luzern (1936)
  • Johan Svendsen, Sydsvenska Dagbladet Snällposten, 27 dec. 1930
  • Tobias Norlind: Allmänt musiklexikon, Stockholm: Wahlström & Widstrand, 1927-28, 2V p.
  • Edmund Sebastian Joseph van der Straeten: History of the violoncello, the viol da gamba – Their precursors and collateral instruments. – With biographies of all the most eminent players of every country, London: William Reeves, 1915
  • Johan Svendsen, Dagens Nyheter, 15 jun. 1911
  • Johan Svendsen, Svensk Musiktidning, vol. 31, 1911, p. 89-90
  • Eugène d'Harcourt: La musique actuelle dans les États scandinaves – Conservatoires, concerts, théâtres, avec 25 portraits, vues et plans hors texte et deux Médaillons, Paris: Librairie Fischbacher, 1909, 154 p.
  • Eugène Rapin: Histoire du piano et des pianistes, Bologna: Forni Editore, 1904
  • Johan Svendsen, Svensk Musiktidning, vol. 22, 1902, p. 89-90
  • James Duff Brown: Biographical dictionary of musicians. With a bibliography of English writings on music, Paisley, Scotland: A. Gardner, 1886, 637 p.
  • Johan Svendsen, Ny ill. tidn., vol. 19, 1883, p. 153-156
  • Johan Svendsen, Svensk Musiktidning, vol. 3, 1883, p. 66-68
  • David Baptie, A handbook of musical biography, London: W. Morley, 1883, 256 p.

Externe link[bewerken]